Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2020 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Noordwest,
Procesverloop
Overwegingen
[…]
- Heeft verweerder het voorschrift van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschonden?
- Heeft verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken in het geding gebracht?
- Heeft verweerder terecht en voor de juiste bedragen correcties aangebracht op grond van artikel 10d van de Wet Vpb?
- Heeft verweerder terecht correcties aangebracht op kosten in de jaren 2007 en 2009?
- Post 107 € 14.256,00
- Posten 35 en 158 € 8.337,58
- Posten 104 en 175 € 155,46
- Posten 8, 29, 37 en 149 € 14.928,41
- Posten 371 en 409 € 950
- Posten 207 en 274 € 9.501,78
- Posten 72, 154 en 331 € 115,55
+€ 950). Daarnaast heeft eiseres erkend dat enkele privénota’s ten onrechte in aftrek zijn gebracht. Ten aanzien van de posten onder het kopje “overlopend 2008-2009” bedraagt de correctie – na bezwaar – in totaal € 72.136. Dit betreft kosten die zijn betaald en gefactureerd in 2009 maar betrekking hebben op 2008 of eerdere jaren. Echter, blijkens een overzicht van verweerder is daarnaast in totaal een bedrag van € 69.637 in 2009 ten laste van de winst gebracht terwijl dit – zo is onweersproken komen vast te staan – bedragen betreft die in 2010 zijn betaald. De rechtbank is van oordeel dat eiseres het factuurstelsel dan wel kasstelsel niet consequent heeft toegepast en acht aannemelijk dat ook hierdoor aanzienlijke bedragen ten onrechte ten laste van de winst in 2009 zijn gebracht. Daarnaast heeft eiseres niet betwist dat in 2009 kosten in aftrek zijn gebracht op basis van facturen die op naam van andere vennootschappen staan en dat nota’s dubbel zijn geboekt. Dit een en ander betekent dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de opgelegde aanslag vpb 2009 zowel in absoluut als in relatief opzicht aanzienlijk afwijkt van de door eiseres ingediende aangifte.
Beslissing
- verklaart het beroep inzake de aanslag vpb 2008 (HAA 15/372) ongegrond;
- verklaart de beroepen inzake de aanslagen vpb 2007 (HAA 15/196) en 2009 (HAA 15/1342) gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot voormelde aanslagen vpb 2007 en 2009;
- vermindert de aanslag vpb 2007 tot een aanslag berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 749.807 en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;
- vermindert de aanslag vpb 2009 tot een aanslag berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 683.575 en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 3.000;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 500, en
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 331 te vergoeden.