Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[aangever]opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een
scherp en/of puntig voorwerp, in het hart, althans de borst van die
[aangever]heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op of omstreeks 30 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad
aan
[aangever]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gat in een
van de hartkamers (harttamponade), heeft toegebracht
door met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in
het hart, althans de borst van die
[aangever]te steken.
3.Bewijs
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2020 afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van
- een geschrift, te weten de geneeskundige verklaring van 21 februari 2020 (dossierpagina 132);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de getuige [getuige 1] van 1 februari 2020 (dossierpagina’s 77-81, 83);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de getuige [getuige 2] van 1 februari 2020 (dossierpagina’s 86-88).
[aangever]opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het hart van die
[aangever]heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
voordat ik, [persoon 3] of [getuige 1] tussen de ruzie konden komen zag ik dat [verdachte] een mes pakte (…) en een steekbeweging maakte naar een van die drie jongens, namelijk naar [aangever].’ Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte direct na de eerste klap(pen) naar zijn mes heeft gegrepen. De rechtbank is van oordeel dat de aard, intensiteit en duur van de aanval -in dat stadium- niet dusdanig ernstig waren dat verdediging door middel van het onmiddellijk steken met een mes in de borststreek te rechtvaardigen is. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte met het mes gewaarschuwd of gedreigd heeft richting [persoon 2] of [aangever] om de aanval te stoppen. Daar komt bij dat vast staat dat [aangever], na de worsteling met verdachte en voordat verdachte de stekende beweging maakte, een stap naar achteren heeft gezet. De ruimte die daardoor ontstond heeft verdachte niet benut om zijn belagers af te schrikken met het mes; hij heeft meteen een stekende beweging in de richting van de borststreek van [aangever] gemaakt, waarbij hij hem raakte in zijn hart.
5.Strafbaarheid van verdachte
verminderde matetoe te rekenen.
6.Motivering van de sancties
7.Vorderingen benadeelde partijen
[aangever]heeft middels gemachtigde mr. R. Korver een vordering tot schadevergoeding van € 23.029,15 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
[de vader] (de vader van het slachtoffer)heeft middels gemachtigde
[de moeder] (de moeder van het slachtoffer)heeft middels gemachtigde mr. R. Korver een vordering tot schadevergoeding van € 11.391,74 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
honderdtachtig(
180) dagenjeugddetentie.
honderd en tweeënvijftig (152)dagen
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
achtentwintig (28) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
honderdzestig (160) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door
tachtig(
80) dagenjeugddetentie.
[aangever]geleden schade, te weten tot een bedrag van € 8.529,15, bestaande uit € 1.029,15 voor de materiële en € 7.500,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.