ECLI:NL:RBNHO:2020:4323
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster ontving een uitkering op grond van de Participatiewet als alleenstaande. Na haar huwelijk en het samenwonen met haar partner werd de uitkering per 23 januari 2020 ingetrokken omdat zij niet meer als alleenstaande werd aangemerkt. Verzoekster had dit niet gemeld en maakte bezwaar tegen het besluit. Zij stelde dat verweerder ambtshalve de uitkering had moeten aanpassen naar de gehuwdennorm of de norm voor een niet-rechthebbende partner.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van jurisprudentie de datum van melding voor bijstand als alleenstaande niet geldt voor latere aanvragen als gehuwden. Verweerder is niet verplicht ambtshalve de uitkering om te zetten naar de gehuwdennorm of norm bij een niet-rechthebbende partner. Verzoekster had haar inlichtingenplicht geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor de uitkering ten onrechte was verleend.
De intrekking van de uitkering was daarom niet onrechtmatig. De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en verwees verzoekster naar de aanvraag die zij samen met haar echtgenoot op 2 juni 2020 had ingediend. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de uitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt afgewezen.