ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij gezinsbijstandsuitkering na gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf april 2001 bijstand als alleenstaande ouder. Het College beëindigde de bijstand met ingang van april 2004 en vorderde terugbetaling over de periode 2001-2004 op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. Appellanten vroegen vervolgens gezinsbijstand met terugwerkende kracht aan, welke werd afgewezen.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep stelden appellanten zich op het standpunt dat zij alsnog gezinsbijstand over de gehele periode moesten krijgen.
De Raad overwoog dat bijstand wordt toegekend vanaf de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden anders rechtvaardigen. Omdat appellanten zich pas in augustus 2004 gezamenlijk meldden en de eerdere aanvraag als alleenstaande ouder niet bepalend is, is terugwerkende kracht uitgesloten. Ook waren de omstandigheden niet zodanig dat terugwerkende bijstand gerechtvaardigd was.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en geen gezinsbijstand met terugwerkende kracht toegekend.