ECLI:NL:RBNHO:2020:4651
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom ter voorkoming van drugshandel binnen gemeente Zaanstad
Eiser is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013 te voorkomen. Dit besluit volgde op een bestuurlijke rapportage van de politie waarin werd vastgesteld dat eiser drugs bij zich had en vermoedelijk drugshandel pleegde.
Eiser betoogde dat de APV-bepaling onvoldoende duidelijk is, dat sprake is van oneigenlijke samenloop met het strafrecht en dat de hoogte van de dwangsom niet in verhouding staat tot de overtreding. De rechtbank oordeelde dat de bepaling voldoende duidelijk is, mede door de koppeling met de Opiumwet, en dat de last onder dwangsom een herstelsanctie zonder punitief karakter betreft, waardoor geen sprake is van oneigenlijke samenloop met strafrechtelijke sancties.
Verder stelde de rechtbank dat het handhavend optreden in het algemeen belang is vanwege het terugdringen van drugshandel en het bevorderen van een veilig woon- en leefklimaat. De hoogte van de dwangsom werd als proportioneel en passend beoordeeld, gelet op het doel om herhaling te voorkomen en het financiële voordeel dat kan worden behaald bij overtreding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.H. Affourtit-Kramer op 18 juni 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 2:74 APV Zaanstad is ongegrond verklaard.