ECLI:NL:RBNHO:2020:5137
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting bij Belgische houdstervennootschap niet geweigerd wegens kunstmatige constructie
Eiseres, een Belgische houdstervennootschap van een familie met belangen in Belgische en Nederlandse deelnemingen, maakte bezwaar tegen de inhouding van 5% dividendbelasting op een uitkering door een Nederlandse dochtermaatschappij. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiseres aanspraak kon maken op de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting op grond van artikel 4, lid 3, onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting 1965, of dat sprake was van een kunstmatige constructie met als hoofddoel het ontgaan van Nederlandse dividendbelasting. De rechtbank toetste dit aan de hand van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Nederlandse Hoge Raad.
De rechtbank stelde vast dat eiseres een materiële onderneming drijft, met eigen kantoorruimte en significante kosten voor werkzaamheden, en dat de structuur niet volstrekt kunstmatig is. De economische en commerciële rechtvaardiging voor het bestaan van eiseres en het houden van het belang in de Nederlandse vennootschap was voldoende aannemelijk gemaakt.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de dividendbelasting teruggegeven. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar, waarbij de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting wordt toegepast en de dividendbelasting wordt teruggegeven.