Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 januari 2020 afgelegd;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 8 augustus 2018 (dossierpagina’s 28-33);
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 21 januari 2019 (dossierpagina’s 39-41);
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [aangever 2] van 9 augustus 2018 (dossierpagina’s 46-55).
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 januari 2020 afgelegd;
- het proces-verbaal van bevindingen (beschrijving kinderpornografisch materiaal) van 20 november 2018 (dossierpagina’s 299-308);
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [aangever 2] van 9 augustus 2018 (dossierpagina 49).
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 augustus 2018 (dossierpagina 551);
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 22 februari 2018 (dossierpagina’s 42-45);
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 30 januari 2019 (dossierpagina’s 206-210).
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vermogensmaatregel
8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
1 ten laste gelegde feit in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft een bedrag van € 7.500,- gevorderd ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Ter zitting heeft de raadsvrouw benadrukt dat de vordering uitdrukkelijk een verzoek betreft tot vergoeding van een gedeelte van de door [slachtoffer 1] geleden en nog te lijden schade, aangezien – gelet op haar zeer jonge leeftijd – pas in de toekomst meer duidelijk zal worden over de precieze schade. Gelet hierop vordert [slachtoffer 1] thans een voorschot van € 7.500,- op de immateriële schade.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
ACHTTIEN (18) MAANDEN.
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van tien (10) jaren.
- veroordeelde zich volgens afspraak moet melden bij Reclassering Nederland op het [adres] zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Veroordeelde werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;
- veroordeelde zich laat behandelen door Forensische Polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- veroordeelde zich onthoudt op welke wijze dan ook van:
- veroordeelde zal gedurende een periode van vijf jaren en negen maanden niet werkzaam zijn in de Jeugdzorg of anderszins werken met kinderen;
- veroordeelde gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dat – in overleg met jeugdbeschermingsinstanties – nodig vindt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[slachtoffer 1]geleden immateriële schade tot een bedrag van
€ 5.000,-(zegge: vijfduizend euro) en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 5.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 100 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.050,02(zegge: duizend vijftig euro en twee cent), bestaande uit € 50,02 als vergoeding voor de materiële en € 1.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 2]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 1.050,02, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.