ECLI:NL:RBNHO:2020:6477
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen proceskostenvergoeding en hoorplicht in belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar en de vraag of de hoorplicht is geschonden centraal. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen aanmaningskosten van €7 die verweerder in rekening bracht na een definitieve aanslag IB/PVV 2016. Verweerder had deze kosten verminderd tot nihil en een proceskostenvergoeding toegekend, waarna eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat de aanmaningskosten terecht zijn opgelegd omdat het verzoek om uitstel van betaling pas na de aanmaning bij verweerder binnenkwam. De vermeende onrechtmatigheid van de aanmaning wordt verworpen, evenals het argument dat de aanmaning onterecht was omdat de beroepstermijn nog niet was verstreken. De rechtbank stelt vast dat de hoorplicht alleen ziet op het primaire besluit en niet op bijkomende verzoeken in bezwaar, waardoor geen hoorgesprek nodig was.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit ten onrechte gegrond is verklaard en dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. van As op 22 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanmaningskosten en proceskostenvergoeding blijven in stand.