ECLI:NL:RBNHO:2020:7344
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens ontbreken dienstbetrekking voor WW-uitkering
Eiser werkte van juli 2016 tot maart 2018 bij Technische handelsonderneming [bedrijf] B.V. en ontving vanaf augustus 2017 een Ziektewetuitkering. Na afwijzing van een WIA-uitkering vroeg hij een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij niet voldeed aan de wekeneis. De referteperiode liep van december 2016 tot augustus 2017, waarin eiser grotendeels als stagiair werkte zonder dat er WW-premie werd ingehouden.
Eiser stelde dat hij wel als werknemer werkte en dat de mondeling voortgezette arbeidsovereenkomst en loonstroken dat bevestigden. De rechtbank oordeelde dat de praktijkovereenkomst primair een stage met onderwijsdoel was en dat de vergoeding niet wees op een normale dienstbetrekking. Het ontbreken van WW-premiebetaling maakte niet dat er geen verzekeringsplichtige arbeid was, maar het ontbrak aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen werknemer was in de zin van artikel 3 WW Pro en dat het beroep daarom ongegrond is verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen dienstbetrekking had en daardoor geen recht op WW-uitkering.