Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 januari 2020 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder
Procesverloop
1 april 2017 opgeschort.
Overwegingen
Wij hebben een onderzoek ingesteld naar de zorg die [eiseres] levert. Wij hebben het ernstige vermoeden dat het pgb niet juist wordt besteed. Dit blijkt uit controle van pgb-administratie en het huisbezoek dat wij bij meerdere cliënten van [eiseres] hebben afgelegd. Hierdoor is bij ons een ernstig vermoeden ontstaan dat:
- De activiteiten waarvoor het pgb is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
- Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.”
- Op de ingezonden facturen ontbreekt het aantal geleverde uren zorg en het berekende uurtarief.
- De zorg moet worden geleverd op basis van de zorgbehoefte en niet op basis van het pgb-bedrag dat beschikbaar is voor inkoop van zorg.
- Het aantal van 168 uren zorg per week (7 dagen x 24 uur per dag) dat volgens de zorgovereenkomst wordt geleverd is niet realistisch. Alleen de daadwerkelijke uren geleverd aan zorg mogen in rekening worden gebracht. Het oproepbaar zijn voor zorg is niet declarabel.
- Op de facturen brengt [eiseres] een bedrag in rekening voor geboden zorg op basis van (…). Deze verzwaring van de zorgvraag komt in de facturen niet tot uitdrukking.
- Dit zijn minder uren dan waarop volgens de indicatie recht bestaat en ook stellen wij vast dat er geen groepsbegeleiding en persoonlijke verzorging is geleverd.
Voorts merkt eiseres op dat het verweerder niet gaat om de budgethouders en hun administratie maar dat het in wezen gaat om het handelen van eiseres. De kern is dat eiseres naar het oordeel van verweerder als zorgaanbieder niet deugt en dat daarom de pgb’s van haar cliënten zijn ingetrokken. Aldus is de zaak vergelijkbaar met de zaak van de CRvB van 5 maart 2019 en is voldaan aan vuistregel 3. Verder kan vuistregel 4 niet aan eiseres worden tegengeworpen omdat de belangen van eiseres niet uitsluitend via de contractuele relatie met de budgethouders zijn betrokken.
5.2.2. Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit reeds daarom als een afgeleid belang moet worden aangemerkt. Onderzocht moet worden of die derde los van die contractuele relatie ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit.