Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2020:8084

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
1519283720
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 2 Opiumwetartikel 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling drugskoerier voor invoer van ruim 26 kilo cocaïne tot 60 maanden gevangenisstraf

Op 26 juli 2020 werd verdachte aangehouden op Schiphol wegens het invoeren van ruim 26 kilo cocaïne. Verdachte bekende de invoer, maar stelde dat hij slechts wist dat hij drie kilo zou vervoeren en onwetend was over de grotere hoeveelheid in zijn bagage. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk de cocaïne heeft ingevoerd en dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het om een grotere hoeveelheid ging.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de bekennende verklaring van verdachte, proces-verbalen van aanhouding en onderzoek, en diverse rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut en het Douane Laboratorium. De strafbaarheid van het feit werd bevestigd op grond van artikel 2 van Pro de Opiumwet.

De officier van justitie vorderde 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 16 maanden voorwaardelijk. De verdediging vroeg om een straf passend bij drie kilo cocaïne, gezien de vermeende onwetendheid van verdachte. De rechtbank oordeelde echter dat verdachte verantwoordelijk is voor de totale hoeveelheid van ruim 26 kilo en legde een gevangenisstraf van 60 maanden op, rekening houdend met de ernst van het delict, de schadelijkheid van cocaïne, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn first offender status.

De opgelegde straf houdt rekening met de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte is vrijgesproken van andere ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van ruim 26 kilo cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/192837-20 (P)
Uitspraakdatum: 16 oktober 2020
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 oktober 2020 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. S. Guman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 26 juli 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdedigingDe raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte weliswaar cocaïne heeft ingevoerd, maar dat hij geen opzet heeft gehad op het invoeren van de hoeveelheid die in zijn bagage is aangetroffen, ruim 26 kilo. Hij meende dat het slechts om drie kilo zou gaan. Zijn opdrachtgevers hebben hem er ingeluisd door, zonder zijn wetenschap, aanzienlijk meer cocaïne aan hem mee te geven.
3.3.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde invoer van cocaïne. Nu in de tenlastelegging geen hoeveelheidsaanduiding is opgenomen, behoeft het verweer van de raadsman op deze plaats geen bespreking. Omdat verdachte de invoer van cocaïne heeft bekend en van dit feit door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
  • het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding d.d. 26 juli 2020 (dossierpagina 1-4);
  • het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 26 juli 2020 (dossierpagina 40-46);
  • schriftelijke stukken, te weten 19 rapporten NFIDENT van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 augustus 2020 (los processtuk);
  • een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Douane Laboratorium te Schiphol d.d. 13 augustus 2020 (los processtuk).
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 26 juli 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
6.2.
Standpunt van de verdachte/de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten die gelden voor de invoer van ongeveer 3 kilo cocaïne en niet bij de ruim 26 kilo die bij verdachte is aangetroffen, nu verdachte niet wist dat zich een dergelijk grote hoeveelheid cocaïne in zijn bagage bevond. Op grond daarvan heeft de raadsman verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel niet groter is dan het reeds ondergane voorarrest. Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de raadsman gewezen op de (hoge) leeftijd van verdachte, op het feit dat verdachte een first offender is en dat de detentie hem zeer zwaar valt.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft in Suriname, voordat hij zijn bagage incheckte, van derden twee grote zware koffers geaccepteerd, terwijl hij wist dat zich daarin cocaïne bevond. Door de inhoud niet te controleren heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zich in de koffers een grotere hoeveelheid cocaïne bevond dan hij stelt te hebben afgesproken. Verdachte is derhalve verantwoordelijk voor de totale hoeveelheid bij hem aangetroffen cocaïne, zodat de rechtbank bij het bepalen van de straf ook deze hoeveelheid - 26.779,55 gram - als uitgangspunt zal nemen.
Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van veelal zware criminaliteit, waaronder levensdelicten (liquidaties) en ernstige bedreigingen en daarnaast de strafbare feiten die gebruikers plegen ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Voorts gaat de handel in verdovende middelen gepaard met de aantasting van het financiële verkeer door het veelal met de drugshandel in verband gebrachte witwassen van het met deze handel verdiende geld.
Vanwege de ernst van het delict komt alleen een gevangenisstraf als sanctie in aanmerking.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op
het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 september 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake een Opiumwetdelict met Justitie in aanraking is gekomen.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd aan koeriers die een vergelijkbare hoeveelheid aan harddrugs in Nederland hebben ingevoerd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De oriëntatiepunten noemen voor het invoeren van een hoeveelheid van meer dan 20 kilo cocaïne als strafmaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden.
Het rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanknopingspunten om van deze oriëntatiepunten af te wijken en komt aldus tot een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en Pro 10 van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
60 (zestig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Ghonedale, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. M.S. Lamboo, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2020.
mrs. Ghonedale en Francke zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.