ECLI:NL:RBNHO:2020:9050
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, waarbij de aftrek van specifieke zorgkosten ter discussie stond. De aanslag werd door verweerder aangepast na bezwaar en beroep, waarbij het belastbaar inkomen werd verminderd in het voordeel van eiser.
De kern van het geschil betrof de hoogte van de proceskostenvergoeding en de vraag of eiser recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Eiser stelde een hogere wegingsfactor (1,5) voor de proceskostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding te vorderen.
De rechtbank oordeelde dat de zaak niet complexer of van groter belang was dan gemiddeld, waardoor een wegingsfactor van 1 passend was. Hoewel de redelijke termijn van twee jaar was overschreden, werd de immateriële schadevergoeding afgewezen omdat de vermindering van de aanslag binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift plaatsvond, waarmee de spanning en frustratie waren opgeheven.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar behoudens de kostenbeslissing, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten in beroep ad € 1.050 en het betaalde griffierecht van € 47.
Uitkomst: Proceskostenvergoeding toegekend met wegingsfactor 1 en geen immateriële schadevergoeding ondanks overschrijding redelijke termijn.