ECLI:NL:RBNHO:2020:9620
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en onderbouwing met vergelijkingsobjecten
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een appartement met berging en inpandige parkeerplaats, vastgesteld op €283.000 voor het kalenderjaar 2019. Eiser betwist deze waarde en stelt dat een waardestijging van 25% ten opzichte van het voorgaande jaar te hoog is, en pleit voor een waarde van €263.000. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een waarderapport waarin verkoopgegevens van vergelijkbare appartementen in dezelfde woonwijk zijn opgenomen.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de waarde niet te hoog heeft vastgesteld en of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De rechtbank oordeelt dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat verweerder rekening heeft gehouden met de verschillen. Ook is vastgesteld dat verweerder in de beroepsfase een ander referentieobject mag gebruiken dan in de bezwaarfase.
De rechtbank concludeert dat verweerder de waarde niet onjuist heeft toegepast volgens artikel 4 van Pro de Uitvoeringsregeling en dat de waarde van €283.000 voldoende is onderbouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €283.000 wordt ongegrond verklaard.