Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Stichting Ymere
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een vordering van de zoon van de overleden huurder om de huurovereenkomst van de woning voort te zetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. De zoon stelde dat hij sinds juni 2016 zijn hoofdverblijf in de woning had en een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder voerde, waarbij sprake was van wederkerige zorg en gedeelde kosten.
Ymere, de verhuurder, betwistte dit en stelde dat de zoon pas sinds maart 2019 ingeschreven stond op het adres en onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. Ook ontbrak een huisvestigingsvergunning, mede doordat Ymere geen medewerking zou hebben verleend aan de aanvraag.
De kantonrechter oordeelde dat de zoon weliswaar zijn hoofdverblijf in de woning had vanaf maart 2019, maar onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Uit verklaringen bleek dat de zoon vooral mantelzorg verleende zonder wederkerigheid en dat de samenwoning niet duurzaam en toekomstgericht was. Daarnaast beschikte hij niet over een huisvestigingsvergunning of principeverklaring.
De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst werd daarom afgewezen. De tegenvordering tot ontruiming werd eveneens afgewezen omdat de zoon nog in beroep kon gaan en dus niet zonder recht of titel verbleef. Proceskosten werden verdeeld overeenkomstig de uitkomst.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en het ontbreken van een huisvestigingsvergunning.