Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procesverloop
2.Het standpunt van verzoeker
- het gegronde vermoeden dat artikel 190 Sv Pro vereist voor het toekennen van de status uit artikel 190 lid 3 Sv Pro is dusdanig algemeen gesteld, dat op basis daarvan niet kan worden gesteld dat er sprake is van een gegrond vermoeden dat [nummer getuige] in de uitoefening van zijn werk hinder zal ondervinden als zijn identiteit bekend wordt;
- het willen horen van [nummer getuige] met een bivakmuts op, waardoor er onvoldoende zicht is op zijn mimiek en gelaatsuitdrukking, waardoor zijn betrouwbaarheid onvoldoende kan worden beoordeeld,
- waardoor het ondervragingsrecht onnodig in de kern wordt geraakt,
- er zijn immers minder verstrekkende maatregelen mogelijk, zoals grimeren en een pruik, waarbij de verdedigingrechten wel voldoende kunnen worden gewaarborgd;
- de rechter-commissaris is niet bereid naar een oplossing te zoeken waaronder het verhoor van [nummer getuige] kan plaatsvinden op een wijze waarop de verdedigingsrechten minder verstrekkend worden beperkt;
- de rechter-commissaris lijkt te miskennen dat [nummer getuige] voor de verdediging een zeer belangrijke getuige is, nu hij of zij in januari 2020 heimelijk het perceel waar het MDMA lab volgens het OM dan al geruime tijd draaide (zie telastegelegde periode), terwijl [nummer getuige] daar niets van heeft gezien, bij die heimelijke operatie.