Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 december 2020;
retourzending van opdracht reclasseringsadviesvan [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, waaruit volgt dat de raadsman van de verdachte heeft laten weten dat de verdachte niet wil meewerken aan een gesprek met de reclassering, waardoor de reclassering niet in staat is een rapport omtrent de verdachte uit te brengen;
e-mailgedateerd 15 januari 2021 van B. Louisse, als GZ-psycholoog/systeemtherapeut werkzaam bij De Waag, waarin zij – op verzoek van de raadsman van de verdachte – een aantal vragen over de verdachte heeft beantwoord. Hieruit volgt dat de verdachte op 20 februari 2020, uit eigen beweging, bij De Waag is aangemeld omdat hij kampte met depressieve gevoelens en het gevoel had met zijn verhaal niet bij een reguliere psycholoog terecht te kunnen (zonder zich beoordeeld te voelen). Er is een risicotaxatie uitgevoerd, waarbij gesprekken hebben plaatsgevonden met de ex-vrouw en de kinderen van de verdachte. Er is een veiligheidsplan opgesteld dat zich richt op risico's en veiligheid in de omgeving. Er konden technisch gezien geen uitspraken worden gedaan over het recidiverisico omdat geen sprake is van een veroordeling of bekennende verdachte. Wel is een inschatting gemaakt van het risico op grensoverschrijdend gedrag in de toekomst op basis van de risico instrumenten die worden gebruikt tijdens de behandeling. Daaruit volgt een laag risico. De psycholoog heeft voorgaande ter terechtzitting toegelicht en bevestigd.
7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
ontucht] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
ontucht] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
12 (twaalf) maanden.
[aangeefster 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 28.891,97, bestaande uit € 20.891,97 als vergoeding voor de materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2021 en uit € 8.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 november 2005, tot aan de dag der algehele voldoening, aan benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[aangeefster 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 28.891,97en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven weergegeven.
179 dagenindien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[aangeefster 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 26.396,88, bestaande uit € 21.396,88 als vergoeding voor de materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2021 en uit € 5.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2005, tot aan de dag der algehele voldoening, aan benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[aangeefster 2]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 26.396,88en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven weergegeven.
166 dagenindien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.