De passagier had een vervoersovereenkomst met Swiss International Air Lines voor een vlucht van Amsterdam via Zürich naar Bangkok op 9 juni 2019. Door vertraging van de eerste vlucht miste de passagier de aansluitende vlucht en kwam met meer dan drie uur vertraging aan op de eindbestemming. De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder voerde aan dat de vertraging werd veroorzaakt door een misdragende passagier die door de politie van boord werd verwijderd, vertragingen door luchtverkeersleiding vanwege vertrekbeperkingen en een eerdere vluchtvertraging. De kantonrechter oordeelde dat deze omstandigheden buitengewone omstandigheden vormden waarop de vervoerder geen invloed had.
Vervolgens stelde de kantonrechter vast dat de passagier de aansluitende vlucht had kunnen halen, ongeacht de vertraging, en dat er geen sprake was van instapweigering. Daarom werd de compensatievordering afgewezen. De passagier werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €248. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter M.M. Kruithof.