ECLI:NL:RBNHO:2021:12138
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op aftrek kosten woon-werkverkeer bij niet binnen 24 uur reizen
Eiser, woonachtig te een woonplaats en fulltime werkzaam te een werkplaats, reisde wekelijks heen en terug tussen deze locaties, waarbij hij doordeweeks in een hotel verbleef. Hij vroeg aftrek van reiskosten woon-werkverkeer over 2018, maar de Belastingdienst corrigeerde deze aftrek wegens het ontbreken van een openbaarvervoerverklaring en het niet reizen binnen 24 uur.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.87 Wet IB 2001, omdat hij niet binnen 24 uur heen en terug reisde. Ook voor de reizen tussen verblijfadres en werkadres was geen recht op aftrek, omdat eiser geen bewijs leverde van openbaar vervoer over die afstand en de ontvangen vergoeding hoger was dan de forfaitaire aftrek.
Eisers stelling dat de 24-uurs eis discriminerend is vanwege zijn woonplaats werd verworpen. De rechtbank volgde vaste jurisprudentie dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de eis een redelijke grond kent om onderscheid te maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2018 blijft gehandhaafd.