ECLI:NL:RBNHO:2021:12324
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wegingsfactor proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding in belastinggeschil
Eiser stelde beroep in tegen de vaststelling van de wegingsfactor van 1 voor de proceskostenvergoeding in een belastinggeschil over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2012. De rechtbank oordeelde dat de zaak niet complexer was dan gemiddeld en dat een hogere wegingsfactor van 1,5 niet gerechtvaardigd was. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare zaken eveneens als gemiddeld werden beoordeeld.
Daarnaast werd een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld. De termijn liep van ontvangst van het bezwaarschrift op 2 februari 2018 tot de uitspraak op bezwaar op 21 april 2020, waarmee de redelijke termijn van twee jaar met circa drie maanden werd overschreden. De rechtbank stelde vast dat vanaf de uitspraak op bezwaar geen rechtens te honoreren spanning en frustratie meer bestond, maar kende alsnog een immateriële schadevergoeding van €500 toe voor de bezwaarfase.
Tot slot werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser voor de beroepsfase, vastgesteld op €748, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €48. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door rechter G.H. de Soeten op 23 december 2021 te Haarlem.
Uitkomst: Beroep ongegrond verklaard, wegingsfactor 1 bevestigd, immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens termijnoverschrijding.