ECLI:NL:RBNHO:2021:12519

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
18 januari 2022
Zaaknummer
HAA 21/4981
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WobArt. 6 WobArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op Wob-verzoek over coronavirus

Eiser heeft op 25 juli 2021 een Wob-verzoek ingediend bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met betrekking tot gerechtelijke uitspraken over niet-tijdig beslissen op Wob-verzoeken in het kader van het coronavirus. Verweerder heeft de beslistermijn eenmaal met vier weken verlengd, maar heeft niet binnen deze termijn beslist. Eiser stelde verweerder vervolgens in gebreke en diende beroep in bij de rechtbank wegens het uitblijven van een besluit.

De rechtbank overweegt dat het beroep ontvankelijk is omdat eiser de ingebrekestelling heeft gedaan en de wettelijke termijn is verstreken. Verweerder erkent de overschrijding en wijst op de uitzonderlijke omstandigheden door Covid-19 die de capaciteit van het ministerie belasten. Verweerder verwacht begin 2022 te kunnen beslissen en verzoekt om een termijn tot februari 2022.

De rechtbank wijst dit verzoek deels toe en stelt een uiterste beslistermijn van 1 maart 2022 vast, waarmee zowel het belang van eiser op tijdige besluitvorming als het belang van verweerder op zorgvuldigheid wordt gewaarborgd. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding opgelegd, met een maximum van €15.000. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank draagt de minister op uiterlijk 1 maart 2022 een besluit te nemen en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/4981

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 25 juli 2021 een verzoek om informatie op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob [1] ingediend bij verweerder. Eiser heeft verweerder verzocht om openbaarmaking van documenten omtrent gerechtelijke uitspraken op beroepen die zijn ingediend wegens het niet-tijdig beslissen door verweerder op Wob-verzoeken in het kader van het coronavirus.
Eiser heeft op 6 oktober 2021 bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
Verweerder heeft op 3 november 2021 op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [2] in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Eiser heeft op 25 juli 2021 een Wob-verzoek ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 6 van Pro de Wob. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan deze termijn verlengen met maximaal vier weken. Verweerder heeft de beslistermijn op 3 augustus 2021 met vier weken verlengd. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is voorbij. Eiser heeft verweerder op 22 september 2021 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet binnen de verlengde beslistermijn op het Wob-verzoek van eiser heeft beslist. Eiser heeft na het verstrijken van deze termijn verweerder in gebreke gesteld. Het beroep is ingediend nadat de in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb genoemde termijn van twee weken is verstreken. Dit betekent dat sprake is van een ontvankelijk beroep en dat dit beroep (kennelijk) gegrond is.
5. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een termijn te bepalen waarbinnen verweerder spoedig een beslissing moet hebben genomen op zijn Wob-verzoek.
6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 3 november 2021 erkend dat de beslistermijn is overschreden. Het Wob-verzoek ziet op een corona-gerelateerd onderwerp. Vanwege de uitzonderlijke omstandigheden die met het coronavirus verband houden was verweerder niet in staat om tijdig op het verzoek te beslissen. De gevolgen van Covid-19 vergen nog steeds veel van de capaciteit van het ministerie. Na de afhandeling van de verzoeken waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een termijn heeft gesteld voor het eerste kwartaal van 2022, heeft het verzoek van eiser de hoogste prioriteit. Verweerder verwacht in februari 2022 in het geheel op het Wob-verzoek van eiser te hebben beslist. Verweerder verzoekt de rechtbank maatwerk toe te passen en een termijn te geven tot en met februari 2022.
7. De rechtbank ziet onder deze geschetste omstandigheden aanleiding om verweerder op te dragen om uiterlijk op 1 maart 2022 op eisers Wob-verzoek te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat met deze termijn recht wordt gedaan aan het belang van eiser dat verweerder zo spoedig mogelijk een besluit neemt om zijn verzoek en recht wordt gedaan aan het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen.
8. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van eiser gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 1 maart 2022 alsnog een besluit te nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2021.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.
Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Wet openbaarheid van bestuur
2.Algemene wet bestuursrecht