ECLI:NL:RBNHO:2021:12758

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 december 2021
Publicatiedatum
31 maart 2022
Zaaknummer
14/810129-11
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 3a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens langdurig tijdsverloop in hennepteeltzaak

In deze strafzaak werd verdachte beschuldigd van het telen en verwerken van grote hoeveelheden hennep en het vernielen van elektriciteitswerkzaamheden in 2011. De zaak kende een langdurig tijdsverloop, waarbij de laatste zitting in september 2011 plaatsvond en daarna het onderzoek werd geschorst voor onbepaalde tijd.

De verdediging stelde primair dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het tijdsverloop en subsidiair vanwege de procesorde, mede omdat de verdachte door seniele dementie/Alzheimer niet meer in staat was de zaak te begrijpen. Het OM vorderde eveneens niet-ontvankelijkheid wegens het verspeelde recht op vervolging door het lange tijdsverloop en het niet tijdig plannen van zittingen.

De rechtbank oordeelde dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op het tijdsverloop en de aard van de feiten, waarbij ook werd meegewogen dat de verdediging herhaaldelijk vergeefs had verzocht om een eerdere zitting. De rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging en sprak dit uit op 6 december 2021.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het langdurige tijdsverloop en de aard van de feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 14/810129-11
Uitspraakdatum: 6 december 2021
Tegenspraak ex artikel 279 Sv Pro
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 december 2021 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. H. Tillart en van hetgeen de raadsman van de verdachte, mr. G. Kaaij, advocaat te Heerhugowaard, naar voren heeft gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 08 maart 2011 in de gemeente Hoorn (NH), te Zwaag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid ((ongeveer) 3.895 hennepstekken) van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan dertig gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
Feit 2
hij op of omstreeks 10 maart 2011 in de gemeente Heiloo, in een pand gelegen aan de Kennemerstraatweg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid ((ongeveer) 10.000 hennepstekken en/of hennepplanten) van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
Feit 3
hij op of omstreeks 8 maart 2011 in de gemeente Hoorn NH in of nabij een pand gelegen aan de Corantijn 9E te Zwaag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk enig electriciteitswerk heeft vernield en/of heeft beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt en/of stoornis in de gang of in de werking van een zodanig werk heeft veroorzaakt en/of een ten opzichte van een zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
2.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft primair gewezen op het tijdsverloop tussen de zitting van 22 september 2011 en de zitting van vandaag en subsidiair op de beginselen van een goede procesorde. De verdachte is in de tussentijd gaan lijden aan seniele dementie/Alzheimer waardoor hij niet meer goed begrijpt waar deze strafzaak over gaat.
2.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd hem niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging heeft verspeeld. Het onderzoek ter terechtzitting is laatstelijk op 22 september 2011 geschorst voor onbepaalde tijd en verwezen naar de rechter-commissaris teneinde getuigen te horen. De getuigen zijn gehoord, maar nadien is de zaak tot op heden niet meer op zitting gepland, ondanks meerdere verzoeken hiertoe van de verdediging. Gelet op het tijdsverloop dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, zoals gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de raadsman, van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, gelet op het tijdsverloop in deze zaak en de aard van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat de verdediging meermaals tevergeefs heeft verzocht de zaak eerder op zitting te plannen.

3.Beslissing

De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. S.J. Richters, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.C.W. Coesel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 december 2021.
Mr. Hendriks is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.