Eiser is eigenaar van een perceel waarop de provincie Zeeland twee strekdammen wil aanleggen in het kader van het Natuurpakket Westerschelde, gericht op natuurherstel van het Natura 2000-gebied Westerschelde en Saeftinghe. Verweerder heeft aan eiser een gedoogplicht opgelegd op grond van artikel 2.6 van de Wet natuurbescherming (Wnb), waardoor eiser de aanleg moet toestaan. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat de aanleg geen handeling is in de zin van artikel 2.6 Wnb en dat de gedoogplicht ten onrechte is opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat de mededeling van de gedoogplicht een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat het geen aandacht heeft besteed aan een afwijkend standpunt van Gedeputeerde Staten (GS) Zeeland, die in een eerder besluit stelde dat het project Zimmerman niet direct verband houdt met het beheer van het Natura 2000-gebied. Hierdoor is het besluit in strijd met de motiveringsvereisten van de Awb en vernietigt de rechtbank het besluit.
Tegelijkertijd volgt uit een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de aanleg van de strekdammen wel noodzakelijk is voor het beheer van het Natura 2000-gebied, een standpunt dat eiser niet langer betwist. De rechtbank overweegt dat ook maatregelen gericht op uitbreiding en verbetering van habitats onder artikel 2.6 Wnb vallen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.