ECLI:NL:RBNHO:2021:12949

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
8 december 2023
Zaaknummer
C/15/308363 / HA RK 20-184
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen dwangbevel griffierecht ongegrond verklaard door rechtbank

Verzoekster heeft verzet aangetekend tegen een dwangbevel dat door de griffier van de rechtbank Noord-Holland was uitgevaardigd wegens het niet betalen van griffierecht. De procedure betreft een eerdere kortgedingzaak waarin de kantonrechter zich onbevoegd verklaarde wegens een executiegeschil, waarna griffierecht werd opgelegd.

Verzoekster stelde meerdere gronden aan het verzet ten grondslag, waaronder het ontbreken van samenwerking tussen griffie en deurwaarder, onbevoegdheid van het dwangbevel wegens ondertekening door onbevoegde personen, en onjuiste toerekening van griffierecht wegens vermeende verkeerde procedurele hoedanigheid.

De rechtbank oordeelt dat het dwangbevel rechtmatig is uitgevaardigd en ondertekend door bevoegde personen, dat verzoekster griffierecht verschuldigd is omdat zij de procedure heeft aanhangig gemaakt, en dat de overige aangevoerde gronden onvoldoende zijn onderbouwd. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel tot betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/308363 / HA RK 20-184
Beschikking van 2 februari 2021
in de zaak van
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
tegen
DE GRIFFIER van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem,
gevestigd te Haarlem,
verweerder.
Verzoekster zal hierna ‘ [Verzoekster] ’ worden genoemd en verweerder ‘de griffier’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift d.d. 1 oktober 2020, ontvangen ter griffie van deze rechtbank
d.d. 5 oktober 2020;
- een referteverklaring van de griffier d.d. 3 december 2020;
- de mondelinge behandeling d.d. 12 januari 2021.
1.2.
Na uitroeping van de zaak zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – zowel [Verzoekster] als de griffier niet verschenen.
1.3.
De beschikking is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Op 14 november 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Kanton, locatie Haarlem door [Verzoekster] aanhangig gemaakte zaak met zaaknummer 7343065 / VV EXPL 18-174 (hierna ook: de procedure). De kantonrechter, rechtdoende in kort geding, heeft mondeling uitspraak gedaan en heeft zich daarbij onbevoegd verklaard om van de vordering van [Verzoekster] kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangezien het een executiegeschil is. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat hij de zaak niet rechtstreeks kan verwijzen naar de (wel bevoegde) sectie Handel en Insolventie van de rechtbank, omdat in eerste aanleg geen rol bestaat voor de behandeling van voorlopige voorzieningen, zodat de onbevoegdheidverklaring hier een eindbeslissing is. Ten slotte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de proceskosten voor rekening van [Verzoekster] komen, gelet op de uitkomst van de procedure.
2.2.
Op 15 november 2018 heeft de rechtbank met betrekking tot deze procedure een nota aan [Verzoekster] verzonden strekkende tot betaling van € 79,- aan griffierecht.
2.3.
Op 9 april 2020 en 23 april 2020 zijn aan [Verzoekster] aanmaningen verstuurd waarbij is verzocht het griffierecht alsnog te voldoen.
2.4.
[Verzoekster] heeft nagelaten het griffierecht te voldoen waarna door de griffier op
19 augustus 2020 een dwangbevel tegen haar is uitgevaardigd. Het dwangbevel is op
4 september 2020 door de deurwaarder aan [Verzoekster] betekend. Uit het betekeningsexploot blijkt dat [Verzoekster] is aangezegd om binnen één maand na betekening van het dwangbevel een bedrag van € 178,16 aan de deurwaarder te betalen.
2.5.
[Verzoekster] is niet tot betaling overgegaan.

3.Het verzoek

3.1.
Bij verzoekschrift heeft [Verzoekster] verzet aangetekend tegen het dwangbevel. Daartoe heeft zij vijf gronden (A tot en met E) aangevoerd, die de rechtbank hieronder zal bespreken. Volgens [Verzoekster] dient het verzet gegrond te worden verklaard, met bepaling dat het dwangbevel nietig is.

4.De beoordeling

4.1.
[Verzoekster] voert aan dat de (griffie van de) rechtbank Noord-Holland niet samenwerkt met de deurwaarder en dat er geen opdracht is gegeven aan de deurwaarder (grond A). Dit is onjuist. Het dwangbevel is in opdracht van de rechtbank op 4 september 2020 door de deurwaarder aan [Verzoekster] betekend.
4.2.
[Verzoekster] voert verder aan (naar de rechtbank begrijpt) dat het dwangbevel onbevoegd is gegeven, omdat het niet is ondertekend door een griffier en een voorzieningenrechter maar door een ‘adviseur inkoop’ en een ‘lid van het bestuur’ (gronden B en C). Dit betoog faalt, nu het dwangbevel wel degelijk is ondertekend door een bevoegde griffier en rechter.
4.3.
[Verzoekster] stelt voorts dat de nota van 15 november 2018 betrekking zou hebben op een voorlopige voorziening inzake een executiegeschil uit 2018 dat bij de rechtbank Noord-Holland was ingediend; een dergelijke procedure heeft zij echter nimmer aanhangig gemaakt. [Verzoekster] heeft een kort geding aanhangig gemaakt, maar de voorzieningenrechter heeft dit kort geding aangemerkt als een voorlopige voorziening in een executiegeschil. Volgens [Verzoekster] heeft deze beslissing ertoe geleid dat zij als procespartij in hoedanigheid van schadelijder in de procedure de hoedanigheid van geëxecuteerde heeft gekregen en haar wederpartij als schadeveroorzaker de hoedanigheid van executant. Het rechtsgevolg van deze beslissing is volgens [Verzoekster] dat die nota niet meer bij haar in hoedanigheid van schadelijder te verhalen is: [Verzoekster] is niet de procespartij in die procedure (grond D).
4.4.
De rechtbank begrijpt dit betoog van [Verzoekster] aldus dat zij het niet eens is met de beslissing tot onbevoegdverklaring van de kantonrechter in meergenoemde procedure en
dusniet met de onderliggende griffienota. De omstandigheid dat [Verzoekster] zich niet kan vinden in het oordeel van de kantonrechter brengt echter niet met zich dat zij geen griffierecht is verschuldigd voor die procedure. [Verzoekster] heeft (nu eenmaal) die procedure aanhangig gemaakt. Zij is daarom griffierecht verschuldigd.
4.5.
Tot slot stelt [Verzoekster] dat de gedaagde in die procedure en twee medewerkers van de rechtbank ‘overduidelijk samenwerken’ en dat er sprake is van ‘uitstekende (maar ongepaste) contacten’ (grond E). De rechtbank ziet, zonder nadere toelichting die ontbreekt, geen verband tussen de door [Verzoekster] gestelde samenwerking en de door haar verzochte nietigheid van het dwangbevel. Voor zover [Verzoekster] bedoelt dat zij het niet eens is met de beslissing in die procedure, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor in rov. 4.4 heeft overwogen.
4.6.
De rechtbank verklaart op grond van het voorgaande het verzet ongegrond.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op
2 februari 2021. [1]

Voetnoten

1.type: 1535