ECLI:NL:RBNHO:2021:1989

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 maart 2021
Publicatiedatum
11 maart 2021
Zaaknummer
9005280 BZ VERZ 21-580
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:356 BWArt. 1:392 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing BEM-clausule wegens niet in belang minderjarige

De moeder van een minderjarige verzocht de kantonrechter om toestemming tot opheffing van een BEM-clausule die rust op de bankrekening van haar zoon. Deze clausule beschermt het vermogen dat de minderjarige ontving na het overlijden van zijn vader bij een verkeersongeval. De moeder wilde het geld gebruiken voor haar eigen levensonderhoud, omdat zij een bijstandsuitkering ontving die afhankelijk was van het opsouperen van dit vermogen.

De kantonrechter oordeelde dat het geld op de rekening bedoeld is voor het persoonlijk nut van de minderjarige, zoals toekomstige studie of woonruimte, en niet voor het levensonderhoud van de ouder. De wettelijke onderhoudsverplichting van kinderen jegens ouders geldt niet zo ver dat het vermogen van een minderjarige hiervoor moet worden aangesproken. Bovendien stelde de kantonrechter een ondergrens van € 30.000,00 aan vermogen vast die minimaal moet blijven staan voordat een opheffing van de BEM-clausule kan worden toegestaan.

Aangezien het vermogen van de minderjarige € 25.000,00 bedraagt, onder deze grens, werd het verzoek van de moeder afgewezen. De beslissing sluit aan bij aanbevelingen voor meerderjarigenbewind en beschermt het vermogen van de minderjarige tegen gebruik voor het levensonderhoud van de ouder.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing van de BEM-clausule afgewezen omdat dit niet in het belang van de minderjarige is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Haarlem
Zaaknummer: 9005280 BZ VERZ 21-580 sc
Uitspraakdatum:

Beschikking van de kantonrechter

Op verzoek van:
[verzoeker] ,
geboren te Haarlem op [geboortedatum] ,
van wie het adres bekend is bij deze rechtbank,
hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
met betrekking tot het vermogen van de minderjarige:
[minderjarige] ,
geboren te Haarlem op [geboortedatum],
van wie het adres bekend is bij deze rechtbank.
hierna ook te noemen: [minderjarige] .

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 22 januari 2021.
De kantonrechter heeft afgezien van het laten plaatsvinden van een mondelinge behandeling.

beoordeling

[verzoeker] , handelend in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon, verzoekt toestemming om de BEM-clausule op te heffen die rust op de bankrekening van [minderjarige] , een en ander overeenkomstig artikel 1:356 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op [datum] is de vader van [minderjarige] om het leven gekomen bij een verkeersongeval. De aansprakelijkheidsverzekering heeft een bedrag van € 25.000,00 uitgekeerd ter afwikkeling van de schade van [minderjarige] . Dit bedrag is gestort op een rekening met een zogenaamde BEM-clausule die op naam staat van [minderjarige] .
Bij het besluit van 8 september 2020 van de gemeente Zandvoort is aan [verzoeker] een bijstandsuitkering toegekend vanaf 1 augustus 2020. In dit besluit is aan [verzoeker] de extra verplichting opgelegd om de kantonrechter te verzoeken de BEM-clausule die op de rekening van [minderjarige] van toepassing is, op te heffen.
[verzoeker] is aldus genoodzaakt dit verzoek voor te leggen aan de kantonrechter. [verzoeker] staat niet achter het verzoek. [verzoeker] begrijpt uit het verzoek van de gemeente Zandvoort, dat het geld van [minderjarige] eerst opgesoupeerd dient te worden en dat, indien [verzoeker] geen verzoek tot opheffing van de BEM-clausule indient, [verzoeker] haar recht op een bijstandsuitkering zal verliezen. [verzoeker] is van mening dat het geld op de rekening van [minderjarige] bedoeld is voor zijn toekomstige studie of woonruimte en vindt het niet terecht dat dit zou worden gebruikt om te voorzien in het levensonderhoud van [verzoeker] . [verzoeker] doet het onderhavige verzoek alleen omdat de gemeente Zandvoort dit van haar verlangt.
Ingevolge artikel 1:356 lid 1 BW Pro geeft de kantonrechter slechts aanwijzingen of machtigingen, zoals het opheffen van de BEM-clausule om het geld te gebruiken voor het levensonderhoud van [verzoeker] , indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn.
De kantonrechter oordeelt dat het de bedoeling is van de BEM-clausule dat ervoor gewaakt wordt dat het geld van de minderjarige gedurende zijn minderjarigheid aan andere zaken wordt besteed dan aan speciale, op het persoonlijk nut van de minderjarige gerichte, uitgaven. Voor het levensonderhoud van minderjarigen en hun ouders worden deze gelden daarom in beginsel niet gebruikt aangezien ouders de verplichting hebben in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien. In uitzonderlijke gevallen waarbij sprake is van onvoldoende gezinsinkomen kan daarop een uitzondering gemaakt worden. Van belang in dit verband is dat in artikel 1:392 lid 1 BW Pro een onderhoudsverplichting is neergelegd voor kinderen ten opzichte van hun ouders, voor zover de ouder behoeftig is (lid 2) en er geen (vroegere) partner is die onderhoudsplichtig is (lid 3). In dit wetsartikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen minderjarige en meerderjarige kinderen, zodat er van uit moet worden gegaan dat de onderhoudsverplichting in beginsel ook voor minderjarige kinderen geldt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze verplichting niet zover gaan dat minderjarige kinderen verplicht worden al hun vermogen aan te wenden voor het onderhoud van hun ouder(s). De kantonrechter acht het noodzakelijk en wenselijk dat een minderjarige in ieder geval minimaal een bedrag van € 30.000,00 op een rekening met een BEM-clausule overhoudt voordat er mogelijk kan worden overgegaan tot opheffing van (een deel van) de BEM-clausule voor het doel als bovenvermeld. Daarbij heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij de aanbevelingen meerderjarigenbewind. In deze aanbevelingen is bepaald dat alleen geschonken mag worden wanneer de rechthebbende een bedrag van minimaal
€ 30.000,00 overhoudt.
[minderjarige] heeft een vermogen van € 25.000,00. Gelet op het voorgaande zal het verzoek aldus worden afgewezen.

beslissing

De kantonrechter:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Goossens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter