Uitspraak
Rechtbank noord-holland
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
van € 847.254 bedragen € 8.177,35, te weten € 8.025,19 rente op bank- en spaartegoeden en € 152,16 uit aandelen, obligaties etc. De omvang van de stortingen en onttrekkingen en de waardemutatie van de bezittingen is niet bekend.
blz. 1). Met het selecteren van één of enkele bezwaren die de rechtsgang in gaan, terwijl de beslissingstermijn in de andere aangewezen zaken wordt opgeschort, is daarom met de massaal bezwaar regeling voorzien in een zo efficiënt mogelijke procedure om de voorliggende rechtsvraag te beantwoorden. Ten behoeve van deze efficiency wijkt de regeling bij bezwaren waarvoor een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven dan ook af van de reguliere behandelwijze en wordt in zoverre afgeweken van de betreffende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (artikel 25c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).
Het verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de hierboven beschreven aard van de massaal bezwaar regeling om betrokkenen wier bezwaar niet geselecteerd is voor behandeling in de procedure bij de rechter als derde belanghebbende aan het geding te laten deelnemen. Dit zou immers vanwege het grote aantal potentiële betrokkenen juist tot het wegvallen van de beoogde efficiency kunnen leiden. Daarbij komt dat het om de beantwoording van een rechtsvraag gaat zodat niet gezegd kan worden dat de belangen van de betrokkenen onvoldoende zijn gewaarborgd als zij niet aan de procedure zouden deelnemen.
Het door u aangehaalde Europese recht noopt niet tot een afwijking van het bovenstaande. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aan de orde zijnde rechtsvraag over de rechtmatigheid van de box 3 heffing op effectieve wijze bij de rechter betwist kan worden door middel van de onderhavige massaal bezwaar procedure en dat voor eventuele andere bezwaren een individuele uitspraak op bezwaar volgt waarin de voor uw situatie van belang zijnde punten aan de orde kunnen komen (zie artikel 25f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).”
34 302, nr. 3, blz. 13).
Het onder 13, 14, 15 en 16 beschreven systeem wordt in deze uitspraak aangeduid als “de regeling van box 3”.
.Door de gewijzigde systematiek van de box 3-regeling sluit de uitkomst gemiddeld beter aan bij de behaalde individuele rendementen. De wetgever heeft hierbij het in een jaar gemiddeld haalbare rendement tot uitgangspunt genomen. Het gaat daarbij dus niet meer om rendementen die over een langere periode bezien door belastingplichtigen zonder (veel) risico te nemen kunnen worden behaald. Per saldo is het systeem realistischer geworden en beter toegesneden op de ‘gemiddelde werkelijkheid’.
).
Ten eerste zijn er sinds 2017 twee rendementspercentages voor twee vermogensklassen in plaats van één voor het gehele vermogen, waardoor de berekening van het forfaitaire rendement in de basis verfijnder is geworden. De elementen waarop deze percentages zijn gebaseerd (door eiser ook wel ‘forfaitaire elementen’ genoemd), zijn door de wetgever beredeneerd gekozen en zijn daarmee niet van elke redelijke grond ontbloot. Ook niet in het licht van wat eiser ten aanzien van de verschillende elementen van het forfaitaire rendement heeft aangevoerd. Het gaat om de redelijkheid van de uitkomst van het forfaitaire rendement. Anders dan gemachtigde meent, kan in zoverre niet worden gezegd dat de forfaitaire elementen zodanig op elkaar inwerken dat het een ‘stapeling van forfaits’ oplevert. Ten tweede staat daar tegenover dat de rendementspercentages met een zekere frequentie worden bijgesteld op grond van een in de wet vastgelegd bijstellingsmechanisme. De wetgever heeft er zo voor gezorgd dat het forfaitaire rendement over de jaren heen bezien niet te ver uit de pas moet gaan lopen.
Met de systematiek van de vermogensmix heeft de wetgever bedoeld om rekening te houden met de omstandigheid dat vermogens van verschillende belastingplichtigen, met name ook wanneer de omvang van dit vermogen toeneemt, verschillend van samenstelling zijn. Op zich is het uitgangspunt om met de wijze van samenstelling van vermogens rekening te houden in het licht van de doelstelling van box 3 om vermogensinkomsten te belasten, niet onredelijk te noemen. Met een vermogen dat in aandelen of onroerende zaken belegd is, kan immers een hoger rendement behaald worden dan met een in spaargeld belegd vermogen. Ook de wijze waarop dat is gedaan, door drie vermogensgroepen te onderscheiden, is naar het oordeel van de rechtbank aanvaardbaar. Een indeling in groepen waarbij grenzen ontstaan tussen de ene en de andere groep, is naar zijn aard enigszins arbitrair, maar het onderscheiden en afgrenzen van groepen zijn keuzes die binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever vallen.
De rechtbank staat voor de vraag of het stelsel als geheel hierdoor de vereiste ‘fair balance’ ontbeert en voor belastingplichtigen leidt tot een buitensporig zware last.
Beslissing
mr. M. Ferrier, leden, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2021.
Rechtsmiddel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de staatssecretaris van Financiën daarmee schriftelijk instemt.