De passagier had een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam via Lissabon naar Accra op 30 september 2019. Door vertraging van de eerste vlucht miste de passagier de aansluitende vlucht, waardoor hij met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming arriveerde.
De passagier vorderde compensatie van € 690,00 plus wettelijke rente en incassokosten, gebaseerd op Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk een door de luchtverkeersleiding opgelegde CTOT (Calculated Take-Off Time) en operationele vertragingen.
De kantonrechter stelde vast dat de vertraging deels het gevolg was van buitengewone omstandigheden, maar ook van operationele vertragingen die niet als zodanig kwalificeerden. De doorwerking van de operationele vertraging was voldoende om de overstap te missen, waardoor de uiteindelijke vertraging niet volledig aan buitengewone omstandigheden kon worden toegerekend.
Daarom werd het beroep op buitengewone omstandigheden verworpen en de vordering tot compensatie en incassokosten toegewezen, met uitzondering van de rente over de incassokosten. De proceskosten werden aan de vervoerder opgelegd. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.