De passagier sloot een vervoersovereenkomst voor een vlucht van Amsterdam via Lissabon naar Porto Alegre op 11 september 2017. Door vertraging op de eerste vlucht miste zij de aansluitende vlucht en arriveerde met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming. De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, vermeerderd met rente en incassokosten. De vervoerder verweerde zich door te stellen dat een deel van de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waaronder een door de luchtverkeersleiding opgelegde CTOT en een verplichte veiligheidscontrole.
De kantonrechter oordeelde dat de CTOT als buitengewone omstandigheid geldt, maar de veiligheidscontrole onvoldoende onderbouwd is als zodanig en als operationele vertraging moet worden beschouwd. De totale vertraging bestond uit 17 minuten buitengewone omstandigheden en 55 minuten operationele vertragingen. Omdat de passagier de aansluiting ook zonder de buitengewone omstandigheid zou hebben gemist, is de uiteindelijke vertraging niet toe te rekenen aan buitengewone omstandigheden.
De vervoerder werd daarom veroordeeld tot betaling van €600 compensatie plus wettelijke rente vanaf de datum van de vertraging. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen, terwijl de gevorderde rente over incassokosten werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van betaling. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken en hoger beroep is uitgesloten.