Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2021 in de zaak tussen
V.O.F. [X] , gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
31 december 2016 en loonheffingen over de jaren 2013 tot en met 2016 (de informatiebeschikking).
Overwegingen
[A] en [B] . De onderneming bestaat uit een dameskapsalon aan de [g] en een herenkapsalon aan [h] , genaamd Kapsalon [I] (de kapsalon).
De administratie is niet gevoerd naar de eisen van uw bedrijf[…] In uw geval ontbreken de volgende gegevens:• Dagelijkse Z-afslagen.
1. pinbetalingen worden op datum bijschrijving in kasboek genoteerd;
De administratie is niet bewaard[…] Het gaat om de volgende gegevens:
Beoordeling van het geschil
Wettelijk kader
Lichamen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken (de administratieplicht; artikel 52, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr).
De bewaarplicht houdt voor zover van belang in dat gegevensdragers zeven jaar bewaard moeten worden en dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is (artikel 52, vierde en zesde lid, van de Awr).
- de ontbrekende detailgegevens van de kassa of een kasboek met gegevens van de contant betaalde bedragen gedurende de dag;
- de ontbrekende werkroosters, en
- het bewaren van de gegevens van de laptop.
Van de zijde van eiseres is echter gesteld dat er maar weinig producten verkocht worden. Verweerder heeft ook geen probleem gemaakt van het ontbreken van een voorraadadministratie. Als er veel producten doorheen zouden gaan vanwege veelvuldige verkoop aan klanten, dan zouden de inkopen en daarmee de voorraadadministratie ook veel relevanter zijn. Het ligt daarom voor de hand dat ook verweerder niet van een grote verkoop van kappersproducten uitgaat. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat er niet veel producten in de kapsalon worden verkocht aan klanten dan is vastgelegd.
Dit leidt tot de slotsom dat weliswaar de omvang van de naar hoog tarief af te dragen btw niet met zekerheid uit de administratie is af te leiden, maar omdat het aannemelijk is dat er niet veel producten aan klanten verkocht worden, beschouwt de rechtbank dit als een tekortkoming die van zo weinig gewicht is dat deze omstandigheid niet tot omkering en verzwaring van de bewijslast kan leiden.
HAA 20/197 komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van overmacht en dat er geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de informatiebeschikking op de volgende onderdelen (inclusief de daarbij behorende toelichting):
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden.
mr. A.A. Fase, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2021.