ECLI:NL:RBNHO:2021:3317

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 april 2021
Publicatiedatum
22 april 2021
Zaaknummer
8200107 CV EXPL 19-18522
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:6 lid 1 onder e WftArt. 4:20 WftArt. 6:230x lid 1 BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 7:940 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling en incassokosten wegens verzekeringsovereenkomst ANWB

De zaak betreft een vordering van ANWB B.V. tegen een gedaagde partij voor betaling van een openstaande factuur van €130,00, vermeerderd met incassokosten en wettelijke rente. De kantonrechter kwalificeert de tussen partijen gesloten overeenkomst als een verzekeringsovereenkomst, waarbij de Wegenwacht Service onderdeel is van deze verzekering en een lidmaatschap vereist is.

De kantonrechter stelt vast dat ANWB heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen zoals voorgeschreven in de Wft en BW, onder meer door het verstrekken van duidelijke informatie tijdens het online bestelproces en in de polisvoorwaarden. De overeenkomst is beëindigd door opzegging per 1 januari 2020, waarbij de gedaagde partij tot die datum premie verschuldigd is.

De vordering tot betaling van de premie, incassokosten en wettelijke rente wordt toegewezen omdat de gedaagde partij niet heeft betaald en geen verweer heeft gevoerd. De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de gevorderde bedragen en de proceskosten, maar wijst het meer of anders gevorderde af. Tevens wordt de eisende partij aangespoord om in de toekomst aan de wettelijke eisen van dagvaarding en informatieverstrekking te voldoen.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €170,00 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8200107 CV EXPL 19-18522
Uitspraakdatum: 21 april 2021
Verstekvonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap ANWB B.V.
te 's-Gravenhage
de eisende partij
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor De Klerk Vis Niekus
tegen
[gedaagde]
te [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Op 25 november 2020 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Voor het verloop van de procedure tot aan dat moment wordt naar dit tussenvonnis verwezen.
1.2.
Bij akte van 23 december 2020 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen.
2.2.
Naar aanleiding van de akte van de eisende partij overweegt de kantonrechter als volgt.
Verzekeringsovereenkomst
2.3.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als verzekeringsovereenkomst. De eisende partij heeft dit in haar akte beaamd, waar zij zich op het standpunt stelt dat de Wegenwacht Service een verzekering betreft. Om deze verzekering te kunnen afsluiten, is een ANWB-lidmaatschap vereist. De eisende partij stelt dat sprake is van één overeenkomst, waarvan de onderdelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Voor het afsluiten van de Wegenwacht Service is een lidmaatschap vereist.
2.4.
De kantonrechter begrijpt het standpunt van de eisende partij aldus, dat het lidmaatschap ten dienste staat van en accessoir is aan de Wegenwacht Service (de verzekeringsovereenkomst). Bij de verdere beoordeling neemt de kantonrechter dan ook tot uitgangspunt dat (enkel) sprake is van een verzekeringsovereenkomst.
Gevolgen kwalificatie verzekeringsovereenkomst
2.5.
In de akte stelt de eisende partij zich op het standpunt dat de onderdelen sleutelhulp, transporthulp en repatriëring van de Wegenwacht Service vallen onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1:6 lid 1 onder Pro e, onderdelen 1, 2 en 3 Wft. De onderdelen vervoer, toezenden onderdelen en een vervangend chauffeur vallen niet onder deze bepaling, zodat, zo stelt de eisende partij, de Wft op de Wegenwacht Service van toepassing is.
2.6.
Nu de eisende partij niet heeft gespecificeerd welke diensten in het onderhavige geval aan de gedaagde partij zijn verleend, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de Wft op de onderhavige overeenkomst van toepassing is.
(Pre)contractuele informatieverplichtingen
2.7.
Op de onderhavige verzekeringsovereenkomst zijn de informatieverplichtingen van toepassing zoals bedoeld in paragrafen 1 en 6 van afdeling 6.5.2b BW, artikel 4:20 Wft Pro en de paragrafen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.6 en 8.1.7 BGfo. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, moet de kantonrechter er ambtshalve op toezien dat deze consumentenbeschermende voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
2.8.
De eisende partij stelt dat zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verwezen naar bij eerdere akte overgelegde printscreens, waaruit blijkt hoe het online bestelproces verloopt. De eisende partij heeft de gang van zaken tijdens het bestelproces geschetst. Zij stelt dat de gedaagde partij is geïnformeerd over de voornaamste kenmerken en de totale prijs van de aangevraagde diensten, de duur van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. De overeenkomst is vervolgens tot stand gekomen nadat de gedaagde partij op een niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat daarmee een betalingsverplichting werd aangegaan.
2.9.
De eisende partij heeft in haar eerdere akte, van 19 februari 2020, uiteengezet welke gegevens in de bevestigingsbrief en de factuur zijn opgenomen en welke informatie in de polisvoorwaarden te vinden is. De aan de gedaagde partij verzonden factuur is overgelegd. De eisende partij heeft in haar akte een link naar de polisvoorwaarden opgenomen, een en ander in lijn met het landelijke ‘Informatieformulier voor zaken waarin de gedaagde een natuurlijke persoon is’.
2.10.
De kantonrechter is van oordeel dat met hetgeen de eisende partij in de aktes heeft gesteld en onderbouwd, voldoende is gebleken dat zij heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen. Voor zover de vereiste informatie (deels) niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is verstrekt, geldt dat deze ook onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, al dan niet door opname in de polisvoorwaarden (art. 4:20 lid 6 Wft Pro en art. 78 BGfo Pro). In de onderhavige polisvoorwaarden is in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen melding gemaakt van de vereiste informatie (voor zover niet reeds voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst verstrekt). Dit geldt in ieder geval voor het herroepingsrecht, waarop in de precontractuele fase niet expliciet wordt gewezen (zie in dit verband ook artikel 6:230x lid 1 BW en artikel 78 BGfo Pro), maar waarvan in de polisvoorwaarden in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen melding wordt gemaakt. Daarmee is ook aan deze informatieverplichting voldaan.
Einde van de verzekeringsovereenkomst
2.11.
De eisende partij stelt zich in haar akte op het standpunt dat zij, in tegenstelling tot wat zij eerder heeft gesteld, de overeenkomst heeft ontbonden op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro wegens toerekenbare tekortkoming van de gedaagde partij in de nakoming ervan.
2.12.
Gelet op de als productie V overgelegde brief, waarin is aangegeven dat de overeenkomst per einde van de lopende contractperiode niet wordt verlengd, en hetgeen de eisende partij kennelijk heeft beoogd, in het licht van het feit dat het om een verzekeringsovereenkomst gaat, gaat de kantonrechter er echter van uit dat de eisende partij bedoeld heeft dat zij de verzekeringsovereenkomst heeft opgezegd, in de zin van artikel 7:940 BW Pro. Dit brengt met zich dat de overeenkomst is geëindigd op 1 januari 2020 en dat de gedaagde partij tot die datum premie verschuldigd is. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de gedaagde partij tot die datum aanspraak heeft kunnen maken op haar uit de overeenkomst voortvloeiende rechten.
Wat is toewijsbaar?
2.13.
Als productie III is de factuur overgelegd waarvan de eisende partij betaling vordert. In de factuur staat dat de gedaagde partij een totaalbedrag van € 130,00 verschuldigd is. Uit de overgelegde aanmaning en 14-dagenbrief blijkt dat de gedaagde partij heeft nagelaten dit bedrag te betalen.
2.14.
De vordering tot betaling van € 130,00 ligt gelet hierop voor toewijzing gereed.
2.15.
Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
2.16.
De gedaagde partij wordt in deze zaak in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor genomen aktes blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra aktes op te stellen.
Tot slot
2.17.
De kantonrechter overweegt tot slot, ten overvloede, als volgt. De eisende partij heeft in de dagvaarding (onder het kopje “verweer”) aangegeven:
“Gelet op het bepaalde bij art. 111 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering wijst eiseres er op dat haar geen verweer tegen haar vordering bekend is;
Eiseres ziet er dan ook vanaf in dit stadium allerlei op de zaak betrekking hebbende
bescheiden over te leggendoch is bereid en in staat op het eerste verzoek haar vordering
nader te documenteren;”[onderstreping toegevoegd].
2.18.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen, voldoet de dagvaarding niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Dat een gedaagde partij (mogelijk) geen verweer voert, doet aan de in het tussenvonnis genoemde wettelijke verplichtingen van artikelen 21 en 111 Rv niets af. De eisende partij is nu nog in de gelegenheid gesteld de gebreken aan de dagvaarding te repareren met aktes. Deze praktijk is niet blijvend. De kantonrechter geeft de eisende partij dan ook met klem in overweging haar dagvaardingen in het vervolg direct te voorzien van de voor de beoordeling benodigde informatie en stukken. Immers, het niet of niet volledig voldoen aan de wettelijke verplichtingen of het niet of onvoldoende onderbouwen van de stelling dat daaraan is voldaan, kan (en zal op termijn) leiden tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering
.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 170,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 130,00 vanaf de vervaldatum van de factuur (31 december 2018) tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 85,06 wegens dagvaardingskosten,
€ 121,00 wegens griffierecht en
€ 37,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter