Eiser verzocht om een omgevingsvergunning voor het omzetten van een bijgebouw naar een zelfstandige woning op een perceel in de gemeente Hollands Kroon. Verweerder weigerde de vergunning omdat het plan in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), en vanwege stedenbouwkundige bezwaren zoals verstening en precedentwerking.
Eiser stelde dat hij op basis van een principeverzoek en een brief van het team Ruimtelijke Ordening mocht vertrouwen op vergunningverlening. De rechtbank oordeelde dat aan de eerste twee stappen van het vertrouwensbeginsel was voldaan: de toezegging was gedaan door het bevoegde bestuursorgaan. Bij de derde stap vond de rechtbank geen zwaarwegende belangen die het honoreren van het vertrouwen in de weg stonden, behalve mogelijk strijd met de wet.
De rechtbank constateerde dat verweerder niet had onderzocht of met toepassing van de PRV kon worden afgeweken, noch een verklaring van geen bedenkingen had gevraagd bij de provincie. Hierdoor was niet gemotiveerd of zwaarder wegende belangen in de weg stonden aan het honoreren van het vertrouwen. De rechtbank vernietigde het besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering en het doorlopen van de juiste procedures bij vergunningverlening in het omgevingsrecht.