Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 7 juni 2021 in de zaken tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft ingestemd met het in het bezwaarschrift opgenomen verzoek van eiseres om rechtstreeks beroep ingevolge artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te staan.
€ 238,59 aan rente op achterstallen, derhalve € 46.416,80 in totaal werd geheven.
€ 137,49 aan rente op achterstallen, derhalve € 28.914,46 in totaal wordt geheven.
Geschil17.1 In geschil is of verweerder de verzoeken van eiseres tot terugbetaling terecht heeft afgewezen.
In de nadere gronden voert eiseres in aanvulling hierop aan dat verweerder de bepalingen van de douanewetgeving ten onrechte één-op-één toepast voor de omzetbelasting en de accijns en dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om ook daarover rente op achterstallen te heffen, althans niet om een grondslag te geven voor de nationale heffingen omzetbelasting en accijns. Ter onderbouwing van haar standpunt dat geen sprake is van een douaneschuld voor de omzetbelasting verwijst eiseres naar het arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 10 juli 2019, C-26/18 (Federal Express).
In rechtsoverweging 34 van dit arrest heeft het HvJ overwogen dat omzetbelasting uit haar aard een verbruiksbelasting is en van toepassing is op goederen die in het economisch circuit van de Unie terechtkomen en kunnen worden verbruikt. Goederen die niet op regelmatige wijze in het douanegebied van de Unie zijn ingevoerd, worden vermoed in het economische circuit van de Unie terecht te zijn gekomen op het grondgebied van de lidstaat waar zij in de Unie zijn binnengebracht. Echter, een dergelijk vermoeden kan worden weerlegd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in onderhavige zaken dit vermoeden is weerlegd. Omdat accijns, evenals omzetbelasting, een nationale verbruiksbelasting is, zijn de overwegingen van het HvJ ook van toepassing op de heffing van accijns, zodat in de onderhavige gevallen geen accijns verschuldigd is.
Zelfs indien het mogelijk is om in het kader van artikel 124, lid 1, onder k van het DWU genoegen te nemen met bewijsmiddelen die niet voldoen aan die strikte criteria van artikel 312 van Pro de Uvo DWU, heeft eiseres met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, aldus verweerder.
De verwijzing van eiseres naar artikel 335, lid 4 van de Uvo DWU volgt verweerder niet. Die bepaling betreft expliciet het bewijs van uitgaan in het kader van de regeling uitvoer. Die criteria kunnen niet worden toegepast op de situatie dat goederen zijn onttrokken aan de regeling douanevervoer, zoals hier aan de orde is.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroep.
1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:
4. Wanneer het douanekantoor van uitvoer de aangever meedeelt dat het douanekantoor van uitgang niet heeft gereageerd binnen de termijn zoals bedoeld in lid 3, kan de aangever het douanekantoor van uitvoer het bewijs leveren dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
d. de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsgoederen die niet onmiddellijk bij invoer onder een accijnsschorsingsregeling worden geplaatst.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat in de onderhavige zaken vaststaat dat de goederen niet in het economisch circuit van Nederland of de Europese Unie terecht zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de door haar overgelegde bescheiden niet aangetoond dat de goederen het gebied van de Unie hebben verlaten.
In de zaak 19/697 heeft eiseres onder meer de CMR vrachtbrief van 11 november 2016, de bill of lading van 24 november 2016, de factuur, een bankafschrift, een betaalinstructie en het bestand ‘aflettering facturen.png’ overgelegd.
In de zaak 19/698 heeft eiseres onder meer de CMR vrachtbrief van 11 november 2016, de bill of lading van 17 november 2016, de arrival notice van 23 december 2016, de factuur, een bankafschrift, een betaalinstructie en het bestand ‘aflettering facturen.png’ overgelegd.
Bovendien heeft verweerder op de zitting toegelicht dat hij niet langer het standpunt inneemt dat artikel 335, lid 4 van de Uvo DWU niet relevant is voor beoordeling van bewijsmiddelen, aan de hand waarvan uitvoer van goederen kan worden vastgesteld.
In artikel 312 van Pro de Uvo DWU is opgesomd welke alternatieve bewijsmiddelen kunnen dienen als bewijs van zuivering van de regeling Uniedouanevervoer; dit artikel heeft dus betrekking op het ontstaan van een douaneschuld. Artikel 124, lid 1, onder k van het DWU heeft betrekking op het tenietgaan van een douaneschuld, in welke situatie het bestaan van die douaneschuld het uitgangspunt is.
Omdat het hier twee verzoeken tot terugbetaling betreft, in welke procedures het aan eiseres is om aan haar verzoeken voldoende bewijsmiddelen ten grondslag te leggen gaat de rechtbank aan dit aanbod voorbij.
Omdat het hier twee verzoeken tot terugbetaling betreft en verweerder zijn subsidiaire standpunt tijdig kenbaar heeft gemaakt en heeft gehandhaafd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het verdedigingsbeginsel noch van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Beslissing
mr. M.P.E. Oomens, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2021.