Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[gedaagde sub 1]
[gedaagde sub 2]
Rechtbank Noord-Holland
De voormalige huurder van een bedrijfsruimte vordert schadevergoeding van de verhuurder wegens vermeend voordeel dat de verhuurder zou hebben genoten van door de huurder aangebrachte verbeteringen, het niet nakomen van afspraken uit een vaststellingsovereenkomst en ongerechtvaardigde verrijking. De huurder baseert haar vordering op artikel 7:308 BW Pro, niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst en artikel 7:216 lid 3 BW Pro.
De verhuurder betwist deze vorderingen en stelt dat de huurder onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van schending van de vaststellingsovereenkomst. Tevens beroept de verhuurder zich op verrekening van haar vordering met de waarborgsom. De kantonrechter oordeelt dat de eerste grondslag niet opgaat omdat de huurovereenkomst met wederzijdse instemming is beëindigd en er geen bewijs is dat de verhuurder het gehuurde als restaurant heeft gebruikt.
Verder is onvoldoende gesteld dat de verhuurder afspraken uit de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen, met name omdat de huurder het gehuurde niet correct heeft opgeleverd en de verhuurder de waarborgsom mocht verrekenen met kosten voor ontruiming en huurachterstand. Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking faalt omdat de huurder in de huurovereenkomst afstand heeft gedaan van dergelijke rechten. De vordering wordt daarom afgewezen en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de huurder tot schadevergoeding wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.