Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Voorvragen
Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden verboden tot feitelijke overlevering van de verdachte aan Italië over te gaan op grond van artikel 36, eerste lid, Overleveringswet. Bij vonnis van de Tribunale di Roma van 6 februari 2020 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 8 maanden. Dit vonnis is nog niet onherroepelijk.
[medeverdachte 1] van 18 november 2015 blijkt dat de officier kennen heeft gegeven dat de vervolging van de verdachte inzake onderzoek Fratelli zal worden geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang, onder de voorwaarde dat de verdachte ter berechting aan Italië zal worden overgeleverd. Bij beslissing van 21 december 2015 heeft het Openbaar Ministerie de zaak met parketnummer 15-740628-13 (Fratelli) daadwerkelijk geseponeerd (wegens onvoldoende bewijs/sepot 02).
Een uitzonderlijk geval als in de jurisprudentie bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
Allereerst is daarbij van belang dat de feiten in het onderzoek Mint, niet dezelfde feiten zijn als waarvoor in het Italiaanse onderzoek de overlevering van de verdachte is verzocht. Uit de stukken blijkt verder niet dat de officier van justitie doelbewust (proces)stukken heeft achtergehouden of uitspraken heeft gedaan over de vervolging, die in strijd met de waarheid zijn. Uit de hiervoor aangehaalde e-mailberichten en rechterlijke uitspraken blijkt veeleer dat partijen in het kader van de overleveringsprocedure een inhoudelijke discussie hebben gevoerd over toepasselijkheid van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van de Overleveringswet en daarbij tegengestelde standpunten hebben ingenomen. Dit maakt echter nog niet dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een groot deel van de overgelegde correspondentie tussen de raadsman van [medeverdachte 1] en de zaaksofficier van justitie, ook als het gaat om het verstrekken dan wel onthouden van processtukken, betrekking heeft op het onderzoek Fratelli dat hier niet ter beoordeling voorligt.
3.Beoordeling van het bewijs
.
[adres 1] te Broek op Langedijk,met daarin 854 hennepplanten, zijn [medeverdachte 2] (feit 6), [medeverdachte 1] (feit 1) en [verdachte] (feit 1) als verdachten aangemerkt. Op 26 juni 2014 wordt door het observatieteam gezien dat [medeverdachte 2] en [verdachte] gezamenlijk met de VW Golf (kenteken [kenteken] ) naar de [adres 1] in Broek op Langedijk rijden en daar rond 08:10 uur het pand binnengaan. Circa 25 minuten later wordt gezien dat zij het pand weer verlaten, waarbij [medeverdachte 2] het pand afsluit met een sleutel. Hoewel aannemelijk is dat de hennepkwekerij ook al op 26 juni 2014 daar aanwezig was, is daarentegen niet vast te stellen dat [medeverdachte 2] en [verdachte] wetenschap hadden van die aanwezigheid. Immers, de kwekerij bevond zich in een met gipsblokken afgesloten deel achterin de loods en was, gelet op de fotobijlage bij het proces-verbaal van aangifte van Liander (map 2 B 756 e.v.), vanuit het voorste deel van de loods niet te zien. Dat de VW Golf in de periode van 14 juni tot en met 7 juli 2014 regelmatig in de directe omgeving van de [adres 1] heeft verbleven levert evenmin bewijs op voor betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de exploitatie van de hennepkwekerij, nu niet is vastgesteld dat [medeverdachte 2] steeds degene was die deze auto bestuurde. Gelet op het voorgaande kan geen strafrechtelijke betrokkenheid van [verdachte] bij de exploitatie van de hennepkwekerij in dit bedrijfspand worden afgeleid.
in de Goornis op 28 juli 2014 een hennepkwekerij aangetroffen met daarin in totaal 941 hennepplanten. Dit pand werd gehuurd door [medeverdachte 3] . Zij heeft verklaard dat zij de hennepkwekerij met hulp heeft opgebouwd en ingericht, maar wil niet zeggen met wie zij dat heeft gedaan. [medeverdachte 2] (feit 7) en [verdachte] (feit 2) zijn als verdachten aangemerkt. Aanknopingspunten voor betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn dat zij samen op 30 juni 2014 zijn gezien, terwijl zij uit het perceel [adres 2] komen. Voor [medeverdachte 2] geldt bovendien dat ook op 27 juni 2014 is gezien dat hij uit de richting van [straatnaam adres 2] komt en dat uit bakengegevens blijkt dat de VW Golf in de periode van 13 juni 2014 tot en met 28 juli 2014 diverse malen in de directe omgeving van [straatnaam adres 2] in De Goorn verblijft. Bij sporenonderzoek is DNA van een ander persoon ( [naam 1] aangetroffen). Uit deze feiten en omstandigheden alleen kan niet enige vorm van strafrechtelijke betrokkenheid van [medeverdachte 2] of [verdachte] bij de exploitatie van de hennepkwekerij in dit bedrijfspand worden afgeleid.
bijlage IIbij dit vonnis zijn vervat.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
De verdachte is medeplichtig aan de exploitatie van een hennepkwekerij in een woning aan de [adres 3] te Leiden (536 planten en 15 stekken). Hennep is een stof waarvan het langdurig gebruik tot ernstige gezondheidsproblemen kan leiden. De handel in hennep heeft veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg en wordt daarom, evenals het bezit ervan, krachtig bestreden. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan een keten van criminele activiteiten die de samenleving ontwricht.
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
8.Beslissing
60 urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen hechtenis.