ECLI:NL:RBNHO:2021:6297
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen WOZ-waarde woning en afwijzing immateriële schadevergoeding
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het jaar 2019, welke door verweerder is vastgesteld op €183.000. Eiser stelt een lagere waarde van €167.000 voor, onderbouwd met de gedateerdheid van voorzieningen en vergelijkbare woningverkopen. Verweerder baseert zich op een waardematrix met vergelijkingsobjecten die de vastgestelde waarde ondersteunen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan met het taxatierapport en dat eisers betoog omtrent de gedateerdheid onvoldoende is onderbouwd. Ook is de motivering van de uitspraak op bezwaar volgens de rechtbank voldoende. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast verzoekt eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de termijnoverschrijding deels te wijten is aan de beschikbaarheid van eisers gemachtigde voor een hoorgesprek, waardoor sprake is van een bijzondere omstandigheid. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
Een verzoek tot vergoeding van proceskosten wegens een afgelaste zitting wordt eveneens afgewezen, aangezien het forfaitaire systeem van het Besluit proceskosten bestuursrecht dit niet toelaat en er geen verwijt aan verweerder kan worden gemaakt.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.