ECLI:NL:HR:1996:AA1759
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid beroepschrift tegen uitspraak op bezwaarschrift inkomstenbelasting 1991
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd verminderd. Tegen de uitspraak op het bezwaar, gedagtekend 12 april 1994, diende belanghebbende zijn beroepschrift pas op 26 mei 1994 in, na het verstrijken van de zeswekentermijn. Het Hof verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, wat belanghebbende aanvocht in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat de dagtekening van de uitspraak op het bezwaarschrift bepalend is voor het begin van de beroepstermijn, ook als de motivering van de uitspraak later wordt toegezonden. Het ontbreken van de motivering bij de bekendmaking kan onder omstandigheden leiden tot toepassing van artikel 6:11 Awb Pro, maar vormt geen reden om de termijn te verlengen. De klacht dat de termijn pas zou moeten beginnen na ontvangst van de motivering faalt.
Verder wordt geoordeeld dat de aankondiging in de uitspraak dat een motiveringsbrief nog zou volgen, niet leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van artikel 60 AWR Pro wordt afgewezen omdat dit artikel niet meer van toepassing is op termijnen die na 1 januari 1994 zijn aangevangen.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van belanghebbende en bevestigt het oordeel van het Hof dat het beroepschrift te laat is ingediend en dus niet-ontvankelijk is.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt verworpen wegens overschrijding van de beroepstermijn; het beroepschrift is niet-ontvankelijk.