ECLI:NL:RBNHO:2021:7059

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 augustus 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
9057047 \ CV EXPL 21-1429
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 lid 2 RvArt. 143 lid 3 RvArt. 144 sub b RvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen verstekvonnis wegens niet tijdige betaling zorgpremie niet ontvankelijk verklaard

Zorg en Zekerheid vorderde betaling van achterstallige zorgpremies van opposant, die verstek werd veroordeeld. Opposant kwam jaren later in verzet tegen dit verstekvonnis. De kernvraag was of het verzet tijdig was ingesteld.

De kantonrechter overwoog dat het verstekvonnis niet persoonlijk was betekend, maar via derdenbeslag een minimale betaling van €4,51 was gedaan, wat formeel de verzettermijn deed aanvang nemen. Echter, onder de gegeven omstandigheden was opposant niet bekend met het vonnis of de tenuitvoerlegging, waardoor toepassing van de verzettermijn strikt volgens de wet tot een onrechtvaardig resultaat zou leiden.

Desondanks werd het verzet toch als te laat beschouwd, omdat opposant op 16 januari 2021 een toevoeging voor juridische bijstand had aangevraagd, wat een daad van bekendheid vormde. Het verzet van 16 februari 2021 was daarmee niet tijdig. De kantonrechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Het verzet tegen het verstekvonnis is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzettermijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9057047 \ CV EXPL 21-1429
Uitspraakdatum: 11 augustus 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[opposant]
wonende te [woonplaats]
opposant
verder te noemen: [opposant]
gemachtigde: mr. E.H. Jansen
tegen
de onderlinge waarborgmaatschappij
Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid
gevestigd te Leiden
geopposeerde
verder te noemen: Zorg en Zekerheid
gemachtigde: Van Arkel gerechtsdeurwaarders Leiden

1.Het procesverloop

1.1.
Zorg en Zekerheid heeft bij inleidende dagvaarding van 16 oktober 2009 een vordering ingesteld tegen [opposant] . [opposant] is niet verschenen, waarna [opposant] bij verstekvonnis van 4 november 2009 is veroordeeld.
1.2.
Bij dagvaarding van 16 februari 2021 is [opposant] in verzet gekomen van dat verstekvonnis. Zorg en Zekerheid heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [opposant] nog schriftelijk heeft geantwoord.

2.De vordering

2.1.
Zorg en Zekerheid heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat [opposant] veroordeeld zal worden tot betaling van € 488,91, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 395,80 vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [opposant] in de proceskosten.
2.2.
Zorg en Zekerheid heeft destijds aan de vordering ten grondslag gelegd dat [opposant] in gebreke is gebleven met het tijdig betalen van de premie en daardoor van rechtswege in verzuim is. [opposant] heeft in de periode tot 30 april 2009 een achterstand laten ontstaan van € 395,80 die [opposant] , ondanks aanmaningen en herinneringen, niet heeft aangezuiverd. Zorg en Zekerheid heeft haar vordering daarom uit handen gegeven aan haar gemachtigde. Zij maakt dan ook aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente op grond van de wet.
2.3.
[opposant] is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde.
2.4.
[opposant] vordert in de verzetdagvaarding, om hem te ontheffen van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij vonnis van 4 november 2009 met veroordeling van Zorg en Zekerheid in de proceskosten van de verzetprocedure.
2.5.
[opposant] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij door Zorg en Zekerheid nooit is geïnformeerd over een achterstand in de betaling van de premie. [opposant] ontving destijds gedurende enige tijd een bijstandsuitkering van de gemeente [gemeente] en de premies van de ziektekostenverzekering werden op zijn uitkering ingehouden en door de gemeente rechtstreeks aan de ziektekostenverzekeraar betaald. [opposant] weet niet van een eventuele achterstand in de betaling van de ziektekostenpremie. [opposant] heeft geen post ontvangen van Zorg en Zekerheid en ook de dagvaarding en het verstekvonnis zijn niet aan hem in persoon betekend. [opposant] is onlangs pas op de hoogte gesteld van het vonnis van 4 november 2009 en aangezien de vordering hem onbekend voorkomt, komt hij in verzet.

3.De beoordeling

3.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of het verzet tijdig is ingesteld. Op grond van artikel 143 lid 2 Rv Pro vangt de verzettermijn van vier weken – kortgezegd – aan (1) na betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon of (2) na het plegen door de veroordeelde persoon van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. Buiten deze gevallen vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan op grond van artikel 143 lid 3 Rv Pro aan op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. Volgens artikel 144 sub b Rv Pro is, indien derdenbeslag is gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, sprake van tenuitvoerlegging na de eerste uitbetaling.
3.2.
Vaststaat dat het verstekvonnis niet in persoon aan [opposant] is betekend, maar door achterlating van het exploot in een gesloten envelop. Er is dus geen sprake van de situatie als bedoeld in r.o. 3.1 onder (1).
3.3.
Zorg en Zekerheid voert aan dat zij bij exploot van 9 november 2016 ten laste van de bijstandsuitkering van [opposant] beslag heeft gelegd bij de gemeente [woonplaats] / [plaats] / [plaats] . Bij exploot van overbetekening van 15 november 2016 heeft de deurwaarder het proces-verbaal van beslaglegging aan [opposant] betekend. Zorg en Zekerheid heeft zich vervolgens bij de eerste beslaglegger gemeld. Die heeft zorggedragen voor verdeling van de ingehouden gelden en heeft op 10 januari 2017 aan Zorg en Zekerheid gemeld dat de uitkering is beëindigd en dat een bedrag van € 4,51 door middel van het beslag is voldaan. Zorg en Zekerheid betoogt dat [opposant] vanwege deze afschrijving bekend is geworden met het verstekvonnis dan wel met de tenuitvoerlegging. Volgens Zorg en Zekerheid is het verzet daarom niet tijdig ingesteld.
3.4.
Uit het verweer van [opposant] volgt dat hij niet op de hoogte was van de betaling uit het derdenbeslag ter hoogte van € 4,51, die door een andere deurwaarder is geïnd, ook gelet op het minimale bedrag.
3.5.
Toepassing van artikel 144 sub b Rv Pro leidt er toe dat met de uitbetaling van € 4,51 door de eerste beslaglegger aan Zorg en Zekerheid op 10 januari 2017 sprake is geweest van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Dit betekent dat de verzettermijn van vier weken op grond van 143 lid 3 Rv op 16 februari 2021 (de datum waarop de verzetdagvaarding is uitgebracht) al lang was verstreken en het verzet in beginsel niet tijdig is ingesteld. De kantonrechter ziet in dit geval echter aanleiding voor een ander oordeel op dit punt.
3.6.
Uitgangspunt is dat met de verzettermijn een evenwicht is gezocht tussen enerzijds het belang dat de oorspronkelijk gedaagde niet gebonden wordt aan een hem niet bekend veroordelend vonnis, en anderzijds het belang van de oorspronkelijk eiser dat op enig met een voldoende mate van zekerheid te bepalen moment de veroordeling bij verstek onherroepelijk wordt. De regeling van de verzettermijn is het resultaat van een afweging van deze beide met het recht op toegang tot de rechter samenhangende belangen. Bij toepassing daarvan in een concreet geval mag het recht van de beide betrokken partijen op toegang tot de rechter niet in de kern worden aangetast (zie Hoge Raad 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4936; Hoge Raad 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341 en Hoge Raad 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154).
3.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter moet op grond van deze jurisprudentie van de Hoge Raad onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn op grond van artikel 143 lid 3 in Pro deze zaak achterwege blijven, omdat dit onder de gegeven omstandigheden tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De inleidende dagvaarding, het verstekvonnis en het exploot van overbetekening van het derdenbeslag zijn niet in persoon aan [opposant] betekend en er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [opposant] op andere wijze op de hoogte is gekomen van het verstekvonnis dan wel van het feit dat Zorg en Zekerheid bezig was het vonnis ten uitvoer te leggen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat [opposant] wel met (de executie van) het vonnis bekend had moeten zijn. Zo staat vast dat er meerdere beslagen lagen op de uitkering van [opposant] , dat de tenuitvoerlegging feitelijk plaatsvond door een andere deurwaarder en dat slechts een minimaal bedrag van € 4,51 is uitgekeerd. Onder die omstandigheden is aannemelijk dat [opposant] niet op de hoogte was van deze minimale mutatie. Al met al heeft [opposant] zo weinig kennis gehad van de procedure die heeft geleid tot het verstekvonnis en van dat vonnis zelf en van het feit dat executiemaatregelen zijn genomen op grond van dit specifieke vonnis dat onverkorte toepassing van de verzettermijn op grond van artikel 143 lid 3 Rv Pro in samenhang met artikel 144 Rv Pro zou leiden tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
3.8.
Verzettermijnen zijn van openbare orde, zodat de kantonrechter vervolgens (ook) ambtshalve moet vaststellen of het verzet tijdig is ingesteld door [opposant] . Daarvoor moet worden beoordeeld op welk moment [opposant] bekend is geworden met het verstekvonnis, de situatie als bedoeld onder (2) in r.o. 3.1. Voor een daad van bekendheid in de zin van artikel 143 Rv Pro moet, naar vaste rechtspraak, sprake zijn van een waarneembare gedraging van de veroordeelde zelf waaruit ondubbelzinnig volgt dat deze bekend is met (de hoofdinhoud van) het vonnis. Dat wil zeggen dat hij ten minste moet weten wanneer, door welk gerecht, op wiens vordering en waartoe hij is veroordeeld. Verder moet sprake zijn van een naar buiten toe gerichte daad waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat het vonnis de gedaagde bekend is.
3.9.
[opposant] stelt alleen dat hij onlangs pas van het bestaan van het vonnis van 4 november 2009 op de hoogte is gekomen zonder daarbij een datum te noemen en zonder te stellen wanneer hij voldoende bekend is geworden met (de inhoud van) het verstekvonnis. Dit had wel op zijn weg gelegen. Ambtshalve constateert de kantonrechter dat [opposant] een brief heeft overgelegd van de Raad voor Rechtsbijstand, waaruit volgt dat zijn gemachtigde op 16 januari 2021 een aanvraag voor een toevoeging heeft ingediend. Op basis van het feit dat de toevoeging op 16 januari 2021 is aangevraagd kan worden aangenomen dat [opposant] in elk geval op enig moment daarvóór bekend is geworden met het verstekvonnis en daarin aanleiding heeft gezien om de gemachtigde in te schakelen voor juridische bijstand. De toevoegingsaanvraag kan worden aangemerkt als een daad van bekendheid van [opposant] zelf. De gemachtigde heeft de toevoeging namelijk overgelegd in deze verzetprocedure zodat er vanuit kan worden gegaan dat deze ook voor dat doel is aangevraagd. Hieruit vloeit voort, dat de verzettermijn in ieder geval is aangevangen op 16 januari 2021. Nu voor het instellen van verzet een termijn van 4 weken geldt, liep de verzettermijn af op 13 februari 2021 en heeft [opposant] op 16 februari 2021 dus te laat verzet ingesteld. De kantonrechter ziet geen aanleiding om [opposant] nog in de gelegenheid te stellen nader toe te lichten op welk moment hij precies bekend is geworden met het verstekvonnis. Dat zou alleen relevant kunnen zijn als de aanvraag van de toevoeging niet kan worden aangemerkt als daad van bekendheid en [opposant] ná 16 januari 2021 een daad van bekendheid heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. [opposant] dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard in het verzet tegen het verstekvonnis.
3.10.
Omdat de stellingen van Zorg en Zekerheid niet hebben bijgedragen aan het oordeel dat [opposant] het verzet niet tijdig heeft ingesteld, maar de kantonrechter ambtshalve heeft geconcludeerd dat het door [opposant] ingestelde verzet niet tijdig was, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt in de verzetprocedure.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart [opposant] niet-ontvankelijk in zijn verzet;
4.2.
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij in de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter