ECLI:NL:RBNHO:2021:7118
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderbijdrage voor minderjarige na wijziging draagkracht en inkomen
De rechtbank Noord-Holland behandelde een geschil over kinderbijdrage tussen gescheiden ouders. De vrouw verzocht om een verhoging van de kinderbijdrage voor een van de minderjarige kinderen, terwijl de man een tegenverzoek had ingediend voor de andere minderjarige. De rechtbank verklaarde het verzoek van de man niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing en onvoldoende financiële gegevens.
De rechtbank constateerde dat de man niet voldeed aan zijn verplichting om zijn inkomen volledig en tijdig te verstrekken, met name inzake zijn bonusinkomsten. Na uitgebreide analyse van de loonstroken en bonusregeling achtte de rechtbank het bonusinkomen structureel en stelde het jaarinkomen van de man vast op €138.578 bruto. Op basis hiervan werd de draagkracht van de man berekend.
De vrouw had een laag inkomen en ontving een kindgebonden budget. De gezamenlijke draagkracht van partijen overschreed de behoefte van het kind waarvoor de bijdrage werd gevraagd. De rechtbank verdeelde de draagkracht naar rato en hield rekening met een zorgkorting vanwege de omgangsregeling.
Uiteindelijk werd de man verplicht om vanaf 1 januari 2021 een kinderbijdrage van €333 per maand te betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek van de vrouw tot een hogere bijdrage voor de periode vóór 1 januari 2021 werd om proceseconomische redenen niet toegewezen.
Uitkomst: Man moet vanaf 1 januari 2021 €333 per maand kinderbijdrage betalen aan vrouw; verzoek man niet-ontvankelijk verklaard.