ECLI:NL:RBNHO:2021:7585

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 september 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
HAA 21/2663
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:54 AwbArt. 6 Wob
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens intrekken belang bij niet tijdig beslissen Wob-verzoek

Eiser heeft op 21 juni 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Wob-verzoek van 15 april 2021. Verweerder ontving het verzoek op 16 april 2021 en had uiterlijk 13 mei 2021 moeten beslissen. Eiser heeft verweerder op 1 juni 2021 schriftelijk in gebreke gesteld waarna twee weken zijn verstreken.

Verweerder heeft uiteindelijk op 9 juli 2021 een schriftelijke beslissing genomen. Eiser heeft aangegeven een bezwaarschrift tegen dit besluit te hebben ingediend, maar het beroep bij de rechtbank niet ingetrokken. Omdat de Wob per 1 oktober 2016 is gewijzigd en geen dwangsommen meer verbeurd worden bij niet tijdig beslissen, heeft eiser geen belang meer bij de procedure over het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €181,- aan eiser te vergoeden. Het vonnis is gewezen door rechter E. Jochem en griffier N. Joacim en is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder inmiddels heeft beslist en eiser geen belang meer heeft bij de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/2663

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 21 juni 2021 bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 15 april 2021.
Verweerder heeft op 16 juli 2021 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wob beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
5. Eiser heeft op 15 april 2021 een verzoek ingediend. Verweerder heeft dit verzoek op 16 april 2021 ontvangen. Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk op 13 mei 2021 op het verzoek moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is verstreken. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser verweerder bij brief van 1 juni 2021 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels op 9 juli 2021 een schriftelijke beslissing heeft genomen op het verzoek van eiser.
7. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt.
8. Eiser heeft bij brieven van 10 augustus 2021 en14 augustus 2021 aangegeven dat hij op 10 augustus 2021 een bezwaarschrift tegen het besluit van 9 juli 2021 bij verweerder heeft ingediend. Eiser heeft onderhavig beroep niet ingetrokken.
9. Per 1 oktober 2016 is de Wob gewijzigd. Met ingang van die datum is paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet langer van toepassing op de Wob en wordt dus geen dwangsom meer verbeurd bij het niet tijdig beslissen op grond van deze wet.
10. Omdat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen en er geen recht bestaat op een dwangsom, heeft eiser geen belang meer bij een procedure over het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Het beroep van eiser is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
11. De rechtbank ziet wel aanleiding voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van € 181,- . Verweerder heeft immers pas beslist nadat eiser (terecht) beroep had ingesteld bij de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.
Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.