Vijf vennootschappen, verbonden in een concern en werkzaam in de luchtvaartsector, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de toekenning van voorschotten op basis van de NOW-3 regeling.
De eisers hadden per 3 december 2020 aanzienlijk meer personeel in dienst door een aanbesteding, maar de NOW-3 regeling hanteert als referentiemaand juni 2020 voor de loonsom. Eisers stelden dat deze referentiemaand niet representatief is en bepleitten een alternatieve berekening. Tevens voerden zij aan dat de regeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, en dat de regeling onzorgvuldig is voorbereid.
De rechtbank overwoog dat de voorschotten zijn toegekend conform de aanvragen van eisers en dat zij niet hebben gesteld dat de toegekende bedragen ontoereikend zijn. Het louter wenselijk achten van een richtinggevende uitspraak over de subsidieberekening levert geen procesbelang op. De rechtbank wees erop dat de vaststelling van de subsidie op een later moment plaatsvindt, waarbij bijzondere omstandigheden kunnen worden meegewogen.
Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.