Appellante, werkgever van betrokkene die een WIA-uitkering ontvangt, maakte bezwaar tegen het besluit van het Uwv om de loongerelateerde WGA-uitkering per 22 juni 2016 te beëindigen en te vervangen door een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens het hoger beroep wijzigde het Uwv haar standpunt en gaf aan dat betrokkene ten onrechte als minstens 35% arbeidsongeschikt was aangemerkt en dat de WIA-uitkering vanaf 22 juni 2016 niet meer aan appellante werd toegerekend. Hierdoor had appellante geen financieel belang meer bij het hoger beroep, aangezien de teveel betaalde premielasten door de Belastingdienst zouden worden gecorrigeerd.
De Raad overwoog dat een louter formeel of principieel belang onvoldoende is voor ontvankelijkheid en dat een toekomstig belang bij een mogelijke Amber-beoordeling niet voldoende procesbelang oplevert. Ook werd geen inhoudelijke beoordeling gegeven over het Claimbeoordelings en Borgingssysteem (CBBS). Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand en een gedeeltelijke vergoeding voor werkzaamheden van een juridisch-arbeidsdeskundige, totaal €4.419,-, en werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.