ECLI:NL:RBNHO:2021:8358

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 september 2021
Publicatiedatum
27 september 2021
Zaaknummer
HAA 20/6041
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep zorgtoeslag 2019

Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een voorschotbeschikking zorgtoeslag 2019, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. Na een nieuw besluit van de Belastingdienst werd het bezwaar alsnog gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Eiseres trok vervolgens het beroep bij de rechtbank in en verzocht om een afzonderlijke uitspraak over de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.

De rechtbank overweegt dat verweerder reeds proceskosten en griffierecht heeft vergoed in een andere procedure, maar dat deze zaken niet samenhangen omdat ze niet nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld en verschillende onderwerpen betreffen. Op grond daarvan wijst de rechtbank het verzoek toe en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten van € 748 voor de beroepsfase.

De uitspraak is gedaan door rechter M. Ferrier en griffier N. Joacim, en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de inspecteur van de Belastingdienst tot betaling van € 748 aan proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

zittingsplaats Haarlem
Sector bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/6041

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2021 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres(gemachtigde: V. Quacken),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 19 maart 2020, gericht tegen de voorschotbeschikking van de zorgtoeslag over 2019 met kenmerk [#] en dagtekening 7 februari 2020, niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 23 december 2020 is verweerder tegemoetgekomen aan het bezwaar zorgtoeslag 2019 van 19 maart 2020. Omdat het bezwaar gegrond wordt verklaard kent verweerder een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toe van € 525.
Eiseres heeft onderhavig beroep bij brief van 31 mei 2021 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiseres verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
Verweerder heeft bij brief van 15 juni 2021 gereageerd op het verzoek van eiseres.
Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. Verweerder heeft in de brief van 15 juni 2021 aangegeven dat hij naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2020 ( procedure HAA 20/4312) de proceskosten en het griffierecht aan eiseres heeft vergoed. Ten aanzien van het verzoek proceskostenvergoeding in onderhavige procedure stelt verweerder zich op het standpunt daar geen aanleiding toe te zien.
4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van eiseres. Anders dan verweerder stelt overweegt de rechtbank dat er geen sprake is van samenhangende zaken ingevolge het Besluit. De rechtbank heeft de zaken van eiseres niet nagenoeg gelijktijdig behandeld. Ook de onderwerpen van beroep zijn verschillend. Procedure HAA 20/4312 is ingediend wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaar en onderhavig beroep richt zich tegen de uitspraak op bezwaar van 19 maart 2020. Het verzoek wordt toegewezen.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748 met een wegingsfactor 1).
6. Van eiseres is geen griffierecht geheven.

Beslissing-De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 748.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van
N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.