ECLI:NL:RBNHO:2021:8492
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot beëindiging partneralimentatie wegens onvoldoende bewijs samenwoning
De man verzocht de rechtbank om de partneralimentatie aan de vrouw per 29 april 2019 te beëindigen, stellende dat de vrouw in die periode samenwoonde met een ander als ware zij gehuwd, waardoor zijn onderhoudsplicht zou eindigen op grond van artikel 1:160 BW Pro. Ter onderbouwing overhandigde hij een rechercherapport en verklaringen van familieleden. De vrouw betwistte dit en voerde aan dat er geen duurzame affectieve relatie en gemeenschappelijke huishouding bestond in de relevante periode.
De rechtbank oordeelde dat het rechercherapport toelaatbaar bewijs is, ondanks bezwaren over de wijze van verzamelen. Echter, de man slaagde er niet in voldoende concrete feiten te stellen en te bewijzen dat er sprake was van een affectieve relatie van duurzame aard, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en haar partner in de periode van 29 april 2019 tot 1 mei 2020. De observaties en verklaringen waren onvoldoende specifiek en betroffen grotendeels perioden buiten het geschil.
Ook het subsidiaire beroep van de man dat de vrouw geen aanvullende behoefte had aan de partnerbijdrage werd verworpen, omdat het hof reeds een aanvullende behoefte had vastgesteld en het rapport onvoldoende informatie bevatte om dit te weerleggen. Verder wees de rechtbank het verzoek af om betaling van achterstallige partnerbijdrage uit te stellen vanwege beslag op het vermogen van de man.
De rechtbank bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt, gezien de verstoorde verhouding en het ontbreken van bijzondere omstandigheden. De verzoeken van de man en de vrouw werden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van de partneralimentatie per 29 april 2019 af wegens onvoldoende bewijs van samenwoning.