De rechtbank Noord-Holland behandelde op 5 oktober 2021 een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €6.750,- van betrokkene. Deze vordering was gebaseerd op strafbare feiten waarvoor betrokkene was gedagvaard.
Tijdens de terechtzittingen op 20 en 21 september 2021 werden betrokkene, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord. De raadsman voerde aan dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen omdat betrokkene in de samenhangende strafzaak vrijgesproken was van oplichting en poging tot oplichting.
De rechtbank oordeelde dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258, het ontbreken van een veroordeling een ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg staat. Gezien de vrijspraak van betrokkene verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.