ECLI:NL:RBNHO:2022:10452

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
25 november 2022
Zaaknummer
9986425 \ CV EXPL 22-4044
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:58 lid 2 onder e BWArt. 7:60 BWArt. 7:74 sub h BWArt. 4:34 lid 1 WftArt. 111 lid 2 onder d Rv
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet-naleving informatieplichten en kredietwaardigheidstoets bij kredietovereenkomst

De zaak betreft een bodemprocedure waarin de eisende partij een vordering instelde tegen de gedaagde partij wegens een kredietovereenkomst. De gedaagde partij is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De kantonrechter heeft de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, met name met betrekking tot de naleving van de informatieplichten uit artikel 7:60 BW Pro en de kredietwaardigheidstoets uit artikel 4:34 lid 1 Wft Pro.

De eisende partij stelde dat de kredietovereenkomst viel onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW, omdat bij het aangaan van het krediet en tijdige betaling geen rente of kosten werden gerekend. De kantonrechter oordeelde echter dat deze uitzondering niet van toepassing is, mede omdat de algemene voorwaarden van Klarna kosten bij te late betaling toestaan en dat ook buitengerechtelijke incassokosten onder de kredietvergoeding vallen volgens artikel 7:74 sub h BW Pro.

Daarnaast heeft de eisende partij geen nadere toelichting gegeven over de informatieplichten en de kredietwaardigheidstoets, waardoor niet kon worden vastgesteld of aan deze wettelijke vereisten was voldaan. Gezien het ontbreken van deze essentiële bewijsvoering werd de vordering afgewezen en werd de eisende partij veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die voor de gedaagde partij nihil werden vastgesteld.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens niet-naleving van informatieplichten en kredietwaardigheidstoets.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9986425 \ CV EXPL 22-4044
Uitspraakdatum: 16 november 2022
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap
Greenacre Capital Group B.V., voorheen handelend onder de naam
Incasso Partners B.V., als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van
Bovenberg & Schouten V.O.F., mede handelende onder de naam
IncassoPartners, als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van de vennootschap naar buitenlands recht
Klarna Bank AB (publ)
gevestigd te Stockholm, Zweden
de eisende partij
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders Bazuin & Partners
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Bij tussenvonnis van 7 september 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 5 oktober 2022 (hierna: de akte) heeft gedaan.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), in het bijzonder de informatieplichten van artikel 7:60 BW Pro en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 lid 1 van Pro de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft), of dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW.
2.2.
In de akte herhaalt de eisende partij haar standpunt dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW, omdat bij het aangaan van het krediet en bij betaling binnen de gestelde termijn geen rente en andere kosten worden aangerekend. De kantonrechter kan deze argumentatie niet volgen en overweegt daartoe als volgt.
2.3.
Bij de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst is de gedaagde partij akkoord gegaan met de Algemene voorwaarden van Klarna. In die voorwaarden is (onder meer) bedongen dat bij (te) late betaling kosten in rekening kunnen worden gebracht. In tegenstelling tot hetgeen de eisende partij stelt is niet van belang of deze extra kosten ook
daadwerkelijkbij de gedaagde partij in rekening zijn gebracht. Bij de toetsing van het krediet gaat het om het moment van aangaan van de overeenkomst.
2.4.
De stelling van de eisende partij dat de bedongen buitengerechtelijke incassokosten niet vallen onder de kosten van het krediet volgt de kantonrechter niet. Zoals eerder ook in het tussenvonnis is overwogen, volgt uit artikel 7:74 sub h BW Pro dat ook kosten uit hoofde van het kredietrisico (dat wil zeggen risico van wanbetaling door kredietnemer) onder het begrip kredietvergoeding vallen. Dat deze regeling ten faveure van de consument afwijkt van de wettelijke regeling doet daar niet aan af. Dat, zoals de eisende partij stelt, krediet wordt verleend zonder rente en andere kosten is dan ook onjuist. Over de vraag of sprake is van ‘onbetekenende kosten’ als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW heeft de eisende partij zich in de akte niet uitgelaten.
2.5.
De conclusie is dan ook dat de kantonrechter de eisende partij niet volgt in haar standpunt dat de onderhavige kredietovereenkomst valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW.
2.6.
De eisende partij heeft zich verder ook niet uitgelaten over de informatieplichten van artikel 7:60 BW Pro en de kredietwaardigheidstoets, zodat de kantonrechter niet kan nagaan of de eisende partij daaraan heeft voldaan.
2.7.
Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om terug te komen op hetgeen bij tussenvonnis is overwogen over (de kwalificatie van) de kredietovereenkomst. De eisende partij heeft niet aan de eisen van artikel 111 lid 2 onder Pro d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 21 Rv Pro voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen.
2.8.
De eisende partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter