ECLI:NL:RBNHO:2022:11660
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak medeplegen invoer harddrugs via Schiphol wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Noord-Holland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van de invoer van ruim 19 kilogram heroïne en ruim 10 kilogram cocaïne via de luchthaven Schiphol op 26 juli 2018, alsmede het voorbereiden daarvan in de periode van 12 tot en met 28 juli 2018. Het onderzoek Ryeford-Monston, uitgevoerd door het Cargo-Harc-team Schiphol, bracht aan het licht dat verdovende middelen via de ‘airbag-methode’ werden ingevoerd, waarbij medewerkers van Schiphol betrokken zouden zijn.
De officieren van justitie vorderden een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was en het OM ontvankelijk was in de vervolging. Uit het bewijs, waaronder afgeluisterde telefoongesprekken en observaties, kon echter niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij de invoer of voorbereidingshandelingen.
De rechtbank overwoog dat de tapgesprekken die verdachte zou hebben gevoerd na de inbeslagname van de drugs plaatsvonden en geen concrete aanwijzingen bevatten dat verdachte wist van of deelnam aan de invoer. Het ontbreken van relevante bijkomende feiten leidde tot de conclusie dat verdachte niet schuldig was aan medeplegen of voorbereidingshandelingen.
Daarom verklaarde de rechtbank de tenlastelegging niet bewezen en sprak verdachte vrij. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer op 20 december 2022.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van medeplegen invoer harddrugs.