De curator in het faillissement van [A.] vordert dat vermogensbestanddelen van PCF en PIG aan de boedel toekomen op grond van vereenzelviging of het recht op dividenduitkeringen. PCF en PIG maken deel uit van een vennootschapsstructuur waarin [A.] betrokken is.
De rechtbank beoordeelt eerst of het leerstuk van vereenzelviging van toepassing is. Dit leerstuk veronderstelt uitzonderlijke omstandigheden waarbij het identiteitsverschil tussen rechtspersonen en natuurlijke persoon wordt genegeerd. De curator heeft onvoldoende feiten gesteld die dit rechtvaardigen. Het gebruik van vennootschapsstructuren, het niet deponeren van jaarstukken en het houden van vermogen buiten privé zijn op zichzelf geen misbruik.
Ten aanzien van het recht op dividenduitkeringen oordeelt de rechtbank dat alleen directe aandeelhouders dit kunnen inroepen, niet de curator. De curator wordt daarom niet-ontvankelijk voor dit onderdeel. De curator wordt veroordeeld tot doorhaling van het conservatoir beslag in het hypotheekregister en in de proceskosten. De vorderingen worden afgewezen en de curator draagt de kosten.