Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 3 mei 2022 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] , medewerker bij eiseres en [naam 2] , stagiair, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en zijn kantoorgenoot mr. [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Overwegingen
Geschil12.In geschil is of de utb terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. Meer bepaald is in geschil (i) of verweerder terecht eiseres als aangever/douaneschuldenaar heeft aangemerkt. In dat verband wenst eiseres de in de aangifte vermelde aangever op grond van artikel 173, derde lid, van het DWU te wijzigen in [bedrijf 2] [plaats 3] . Indien dit niet kan en eiseres als douaneschuldenaar moet worden aangemerkt, is voorts in geschil (ii) of voldaan is aan de voorwaarden voor vrijstelling van antidumpingrecht en compenserend recht, zoals voorgestaan door eiseres en bestreden door verweerder. Eiseres heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1524 van de Commissie, waarin onder meer de factuur met nummer [# 1] ongeldig is verklaard en de aanvaarding van de verbintenis met [bedrijf 2] China is ingetrokken, onverbindend is. Als niet aan de voorwaarden voor vrijstelling is voldaan, dan is ten slotte in geschil of (iii) antidumpingrecht is verschuldigd tegen het (rest-)tarief van 53,4%, zoals verweerder voorstaat, dan wel het (individuele) tarief van 36,2%, zoals eiseres meent.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover zij het definitieve antidumpingrecht en rente op achterstallen betreft;
- vermindert de utb voor wat betreft het definitieve antidumpingrecht tot een bedrag van € 40.229,78 en voor wat betreft de rente op achterstallen tot een bedrag van € 1.569,68;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 759; en
- gelast verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar betaalde griffierecht van € 345.