Eiser diende beroep in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarbij de inspecteur een uitkering van Aegon had geherclassificeerd van inkomsten uit tegenwoordige arbeid naar inkomsten uit vroegere arbeid, waardoor de arbeidskorting werd verlaagd.
Eiser stelde dat de uitkering deels als ziekengelduitkering moest worden aangemerkt die recht geeft op arbeidskorting, en beriep zich op artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 en het gelijkheidsbeginsel. Verweerder stelde dat het een arbeidsongeschiktheidsuitkering van een verzekeraar betreft die niet als arbeidsinkomen kwalificeert.
De rechtbank oordeelde dat de uitkering een periodieke uitkering is die niet tot het arbeidsinkomen behoort en dat de gelijkstellingsbepalingen niet van toepassing zijn omdat het geen loondoorbetaling betreft maar een particuliere verzekering. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van een ondernemer met particuliere verzekering niet gelijk is aan die van een werknemer met loondoorbetaling of Ziektewetuitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.