Eiser, eigenaar van een twee onder één kapwoning uit 1934, betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €1.003.000 voor het kalenderjaar 2020. De heffingsambtenaar baseerde de waarde op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten, maar eiser voert aan dat de inhoud van de aanbouw onjuist is berekend en de waarde te hoog is in verhouding tot vergelijkingsobjecten.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van de aanbouw correct is vastgesteld, waardoor de taxatie niet meer overtuigend is. Daarnaast is de methode van waardebepaling aan de hand van vergelijkingsobjecten met aanzienlijke verschillen en lagere verkoopprijzen onzeker en leidt dit tot een overschatting van de waarde.
De rechtbank stelt de waarde van de woning schattenderwijs vast op €950.000, een bedrag tussen de door partijen voorgestelde waarden. Tevens wordt de aanslag onroerende-zaakbelastingen verminderd en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep wordt gegrond verklaard.