De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep van V.O.F. tegen een bestuurlijke boete van €69.000,- opgelegd door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml).
Tijdens een controle in oktober 2017 werden onvolledige en tegenstrijdige loonadministraties aangetroffen, waardoor niet kon worden vastgesteld of het minimumloon was betaald. Eiseres voerde aan dat de boete onredelijk was, mede vanwege lagere boetes in het kader van de WagwEU en de impact van de coronacrisis.
De rechtbank oordeelde dat de lagere boetes in de WagwEU niet vergelijkbaar zijn met de Wml, omdat het om verschillende wettelijke verplichtingen gaat. Ook was de draagkracht onvoldoende onderbouwd en ontbrak een verklaring voor de tegenstrijdige administratie. De boete was evenredig en niet onredelijk. Het beroep werd ongegrond verklaard.